8. dec, 2015

Oorlogs- en herinneringstoerisme hebben geen oog voor nieuwe feiten en inzichten

Gelderland wil oorlogsgeschiedenis gebruiken om meer toeristen te trekken. Gelderse oorlogsmusea, het toerismebureau RBTKAN en de provincie Gelderland willen meer aandacht voor het zogenaamde ‘herinnerings- of ‘herdenkingstoerisme’. (De Gelderlander, 7 dec. 2015). Ze hebben de Nijmeegse historicus Joost Rosendaal verzocht een plan te schrijven. Centra moeten Arnhem en Nijmegen zijn. Verwezen wordt daar onder meer naar hotel De Wereld in Wageningen (foto). Gedeputeerde J. J. van Dijk wil dat musea komen met nieuwe programmering, nieuwe feiten en nieuwe exposities. Merkwaardig is overigens dat juist deze instanties geen oog hebben en niet openstaan voor nieuwe feiten en inzichten. Gelderland presenteert zich nog steeds ten onrechte als het ‘Normandië van het Noorden’. Bekend is dat bij de zuivering van Zeeland en de Westerschelde voor een vrije toegang tot de haven van Antwerpen meer en langduriger strijd is geleverd. Bovendien heeft deze strijd geleid tot een positief resultaat. Bovendien geloven velen nog in de geschiedvervalsingen van een gemythologiseerde ‘slag om Arnhem’ en ‘capitulatie in Wageningen’. Het doel zou in de eerste plaats moeten zijn zorg voor het juiste historische verhaal.

 

Rosendaal presenteerde 5 januari 2016 in Arnhem een nota over het herinneringstoerisme. Deze had hij geschreven met Marc Wingens (Gelders Erfgoed) en Guus van Kleef (Omroep Gelderland). Zij boden de nota aan gedeputeerde J. J. van Dijk aan in het paviljoen over de slag om Arnhem aan de Rijnkade.

Gelderland moet aandacht besteden aan de laatste acht maanden van de Tweede Wereldoorlog.  Ze beweren zelfs dat deze provincie ‘het slagveld’ was in de periode tussen de in september 1944 mislukte ‘slag om Arnhem’ (beter: luchtlandingsoperatie Market ten noorden van de Neder-Rijn) en de bevrijding in april ‘en mei 1945’. Gelderland was overigens eind april vrijwel gezuiverd en 5 mei om 08.00 uur met de rest van Nederland bevrijd. Op dat tijdstip trad immers de capitulatie van de Duitse troepen in onder meer Nederland en Noordwest-Duitsland op de Lüneburger Heide in werking. Die acht maanden lijken nodig om aandacht te kunnen besteden aan het Rijnlandoffensief (beter: operatie Veritable als onderdeel van het geallieerde Rijnlandoffensief) in februari en maart 1945. 

Hoofdpunten in de nota zijn de vorming van twee samenwerkingsverbanden: rond de ‘slag om Arnhem’ en rond de strijd om de Waalbruggen. Elementen uit de Tweede Wereldoorlog die ook aandacht verdienen zijn ‘de capitulatie in Wageningen’; het onderduikdorp Aalten; de razzia in Putten en het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek in Arnhem. Vernieuwing van het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek is noodzakelijk evenals de oprichting van een historisch Gelders kenniscentrum over de Tweede Wereldoorlog. 

Opmerkelijk is ook bij deze schrijvers van de nota het kritiekloze geloof in de geschiedvervalsingen van een gemythologiseerde ‘slag om Arnhem’ en ‘capitulatie in Wageningen’. Deze vervalsingen passen uiteraard helemaal niet in herinneringstoerisme. 

Instanties gericht op bevordering van oorlogs-, herdenkings- en herinneringstoerisme blijken nog steeds de ogen te sluiten voor nieuwe feiten en inzichten. Hun doel is dat het verhaal over de Gelderse oorloggeschiedenis beter wordt verteld, zelfs dat er één verhaal verteld wordt. Ze hebben daarbij meer oog voor de vorm dan de inhoud. Ze gaan immers voorbij aan de juistheid van dat verhaal. Daaruit moeten in ieder geval op korte termijn de geschiedvervalsingen van een gemythologiseerde ‘slag om Arnhem’ en ‘capitulatie in Wageningen’ verdwijnen. Het doel moet in de eerste plaats zijn zorg voor het juiste historische verhaal.