Veel Nederlanders weten niet dat de inwoners van de Over-Betuwe in 1944 moesten evacueren. Ja, moesten! Ze gingen niet vrijwillig, maar werden gedwongen. De inwoners van het dorp Elden moesten al op 23 september evacueren en wel door Arnhem of via Huissen naar het noorden. Generalfeldmarschall Otto M. Walter Model (1891-1945) stond 23 september in Elden, waarschijnlijk op de Drielsedijk naar het zuiden te kijken. Hij combineerde de geluiden die hij hoorde met al verkregen informatie. Hij wist van troepenverplaatsingen ten zuiden van de Waal. Hij wist niet dat die het gevolg waren van het besluit van de geallieerden van 22 september 1944 dat de Groep van Legers onder leiding van Montgomery niet bij Arnhem, maar bij Wesel de Rijn zou oversteken. Hij wist wel dat de Britse zware artillerie vanuit Nijmegen van de Kopse Hof of Kops plateau Arnhem kon bereiken. Hij wist ook van luchtlandingen bij Overasselt en dacht aan nieuwe versterkingen. Hij wist niet dat daar vertraagde versterkingen landden voor de Amerikanen bij Nijmegen en de Polen bij Driel. Hij kon het oorlogsgeweld bij Elst en Bemmel in Elden horen. Zijn conclusie en vrees was dat de geallieerden een Rijnoversteek voorbereidden, hetzij bij Arnhem, hetzij bij Oosterbeek. Die moest kostte wat kost verhinderd worden. Hij gelastte onmiddellijk een fasegewijze evacuatie van Elden en Arnhem van 23 tot en met 25 september van zuid naar noord in noordelijke richting naar Apeldoorn en Ede. Sommige Eldenaren, vooral agrariёrs, gingen naar Huissen en omgeving. Zij wilden voor het vee kunnen zorgen en indien nodig bij Doornenburg het Pannerdensch kanaal oversteken. Model gaf voorts bevel tot verdediging van Arnhem door verlenging van de Panther Stellung van de Grebbelinie tot voorbij Arnhem. In het zuidelijke deel van Arnhem moesten tankgrachten worden gegraven. In oktober volgde het bevel tot evacuatie van het oostelijke deel van de Over-Betuwe: Huissen, Angeren, Doornenburg en Gendt. Dat was vereist voor een vrij schootsveld.
De bevolking van Driel en Heteren kreeg 25 september 1944 het advies (!) te evacueren in verband met de evacuatie van de Britse militairen uit Oosterbeek. Velen trokken over Herveld naar Noord-Brabant.
De rest van de Over-Betuwe had te lijden onder zwaar artillerie- en mortiervuur en de dreiging van een eventueel door de Duitsers geforceerde dijkdoorbraak bij een uitzonderlijk hoge waterstand. De burgers stonden voortdurend bloot aan hels granaatvuur. De Britse bevelhebber luitenant-generaal Brian G. Horrocks (1895-1985) besloot in oktober tot de evacuatie van de circa12.000 vluchtelingen van elders in de Over-Betuwe. Zij moesten in legervrachtwagens de Waal over naar het zuiden. In de tweede helft van november volgde op bevel van de Canadese bevelhebber luitenant-generaal Guy G. Simonds (1903-1974) de gedwongen wijksgewijze evacuatie van de 15.000 vaste bewoners naar het Land van Maas en Waal, Noord-Brabant en Belgiё. Velen moesten bij Slijk-Ewijk met DUKW’s de Waal oversteken naar Beuningen en vervolgens verder gaan naar het zuiden. Er waren geen centra voor vluchtelingen. Men werd ondergebracht bij particulieren, meestal op gezag van ‘mijnheer pastoor’.
Duizend mannen mochten achterblijven in Lent-Ressen-Oosterhout (het Manneneiland) voor het verzorgen van de veestapel en het verrichten van de vereiste landbouwwerkzaamheden. Een zeer ingrijpend besluit in een tijd van stelende, rovende, plunderende en brandstichtende Amerikaanse militairen vanuit hun rustgebieden bij landgoed Schoonderlogt in Valburg en Lienden, nabij Zetten en Hien. Britten en Canadezen konden woningen, banken en andere gebouwen niet beschermen tegen oorlogsmisdaden van vooral Amerikanen van het 101ste, 102de en 106de regiment van de 101st. U.S. Airborne Division. En in zo’n situatie wel de bevolking opdragen te evacueren! Om redenen van militaire aard. Zonder versterking van de militaire politie en de bevoegdheid voor de Nederlandse politie op plunderaars ‘to shoot on sight’ (te schieten zonder waarschuwing). Zulk gepruts zou de mondige burger van nu niet meer accepteren.
In en na mei 1945 mocht men geleidelijk weer terug. Eerst de mannen om puin en eventueel munitie te ruimen en de boel een beetje bewoonbaar te maken. Aan alles was gebrek. Veel hulp was dringend nodig. Op eigen gelegenheid kon men er niet bovenop komen. Er was geen gezondheidszorg, geld, eten en onderdak. Het was behelpen. Geschonken werden noodkerken, glas voor de herbouw van kassen, kleding, schoeisel, huishoudelijke artikelen en meubilair. Apeldoorn en Lisse adopteerden respectievelijk Elst en Bemmel. Canadese (genie)militairen hielpen zo veel mogelijk, onder meer met het dichten van het dijkgat bij Elden en de bouw van een noodkerk in Elst in de zomer van 1945.