Geallieerde plunderingen en vernielingen in 1944-1945.

Trouw, 29 april 2017

Meindert van der Kaaij besteedt in Trouw 29 april 2017 aandacht aan plundering, roof en vernieling door geallieerden in vooral het zuidoosten van Nederland. Hij beweert, zonder de literatuur te hebben bijgehouden, dat deze plundering en vernieling niet in de geschiedenisboeken is terechtgekomen, maar onder het vloerkleed is geveegd. Historische verenigingen hebben er mondjesmaar aandacht aan besteed. Daders van de plunderingen en vernielingen, Amerikanen, Britten, Canadezen en Belgen, werden meestal niet genoemd. 

Opmerkelijk is ook dat Omroep Gelderland in 2017 wel aandacht besteedde aan dit onderwerp, maar in 2014 niet. Overigens beweert deze omroep abusievelijk dat de geallieerden zich alleen bij de bevrijding van gebieden schuldig maakten aan plunderingen en vernielingen. Ze deden dat echter vooral daarna. 

De geallieerde roof, plundering en vernieling is uitvoerig behandeld in dr. Jan Brouwer, Van Market Garden naar Bevrijding en het belang van het Over-Betuwse bruggenhoofd, Elst 2014, p. 262-272. Van der Kaaij had uiteraard dit werk moeten kennen. Omroep Gelderland bezit een exemplaar.

Jolande Withuis, Juliana. Vorstin in een mannenwereld, Amsterdam 2016

Zoals uit de titel blijkt, is deze biografie van Juliana geschreven door een sociologe en feministe. Mede dankzij brieven en andere privé-bronnen bevat het boek een intieme levensgeschiedenis van deze koningin en ‘een portret van een bewogen eeuw’. De levensgeschiedenis is inhoudelijk beter dan het portret van een eeuw. Dat portret komt er maar bekaaid af. Het boek bestaat uit vijf delen, vijfentwintig hoofdstukken en bevat een afkortingenlijst, noten, bronnen, bibliografie, fotoverantwoording en register. Het is vaardig geschreven,  maar inhoudelijk soms kritiekloos. Het handhaaft tal van historische mythen.

De Engelse koning(in) bestaat niet, wel de Britse (p. 235, 303). Holland is vaak gebruikt waar Nederland is bedoeld. ‘Vanaf’ en ‘sedert’ zijn vaak gebruikt waar ‘sinds’ noodzakelijk is. Juliana krijgt terecht een plaats in haar omgeving met de daarbij behorende sociale relaties. Uitvoerig beschreven zijn haar kinder- en jeugdjaren, opleiding, studieperiode in Leiden en contacten met leeftijdsgenoten en vriendinnen. Van groot belang voor haar leven waren haar huwelijk met Bernhard von Lippe-Biesterfeld en haar gedwongen verblijf in Canada tijdens de oorlog; zonder moeder, man en hofhouding. 

Het boek is geschreven onder auspiciën van het NIOD. Toch bevat de beschrijving van de oorlogsperiode de meeste historische onjuistheden of mythen. Volstaan met vermelding van ‘de capitulatie van 15 mei’ (229) en dat de regering niet capituleerde (230) is niet duidelijk voor de lezer. Wie capituleerde er dan wel? Generaal Winkelman tekende 15 mei niet de capitulatie van Nederland, maar de onvoorwaardelijke capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten. Uitgezonderd waren de Nederlandse strijdkrachten in Zeeland waar ook nog Franse troepen aanwezig waren. Hij droeg wel het landsbestuur over aan Duitsland in de persoon van Arthur Seys-Inquart. Montgomery was tijdens de landing van de geallieerden in Normandië geen veldmaarschalk (299) maar generaal.  De geallieerden namen Brussel niet 7 maar 3 september in (299). Zondag 3 september benoemde koningin Wilhelmina Bernhard tot bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten (300), maar dan wel onder het opperbevel van generaal Eisenhower. Eisenhower en Montgomery wantrouwden de prins en keurden zijn wangedrag met drank en vrouwen af. ‘Helaas bleek Arnhem voor de geallieerden een brug te ver’ (301) bevat drie mythen. Arnhem was geen doel van operatie Market Garden en kon dan ook geen brug te ver blijken. De vestiging van een bruggenhoofd tussen Arnhem en het IJsselmeer (het operatiedoel) was een brug te ver. De geallieerde opmars stokte niet bij Arnhem (302), maar 21 september 1944 ten zuiden van Elst. Prins Bernhard onderhandelde maandag 30 april 1945 niet met Seyss-Inquart in Achterveld (301, 312).  Daar onderhandelden de westerse geallieerden over de voedselvoorziening van de bevolking in het westen van Nederland. Bernhard wilde onderhandelen over inundaties, vernielingen, inbeslagneming, executies, razzia’s en behandeling van gevangenen. Deze zaken stonden niet op de agenda en kwamen dan ook terecht niet aan de orde. De prins begreep pas later dat hij met deze onderwerpen op de verkeerde plaats was. In Achterveld werd hij slechts geduld evenals een paar dagen later in Wageningen. De schrijfster beweert dat Bernhard 6 mei 1945 naar Wageningen reed (302). Dat deed hij echter op 5 mei. Ze beweert ook dat 5 mei in hotel De Wereld in Wageningen de capitulatie van de Duitse troepen in Nederland was getekend (302, 488, 678).  De Duitse troepen in Nederland, Noordwest-Duitsland, Helgoland en Denemarken hadden zich echter 4 mei 1945 onvoorwaardelijk overgegeven aan Montgomery op de Lüneburger Heide. Het ‘Instrument of Surrender’ trad 5 mei 1945 om 08.00 uur in werking. Op dat tijdstip was Nederland dus vrij. Om 16.30 uur tekende de gecapituleerde bevelhebber generaal Blaskowitz in Wageningen de door de Canadese  generaal Foulkes opgestelde Orders to German Commanders on Surrender. Deze bevelen aan gecapituleerde Duitse bevelhebbers dienden ter implementatie van het Instrument of Surrender van de Lüneburger Heide. Ook hier werd prins Bernhard slechts geduld. Zijn vraag of Blaskowitz de Binnenlandse Strijdkrachten wilde erkennen, was buiten de orde en dus misplaatst. Bernhard dacht dat de NBS de Duitsers mochten ontwapenen. Net als in Achterveld begreep hij niet wat het doel van de bijeenkomst was. Montgomery gaf via Foulkes prins Bernhard in kasteel Spelderholt in Beekbergen dan ook strikte orders. De NBS mochten geen Duitse troepen ontwapenen, in het openbaar geen wapens dragen en Duitsers niet provoceren. De prins had de NBS echter niet in de hand en kon geen leiding geven. Dat bleek 7 mei op De Dam in Amsterdam. Hij voelde zich belangrijk terwijl hij dat niet was. ‘De Duitse capitulatie’ (278, 304) of capitulatie van Nazi-Duitsland  in 1945 was onmogelijk. De geallieerden accepteerden immers president Doenitz en zijn regering niet. De capitulatie van Japan was niet op 15 augustus 1945 (310), maar op 2 september 1945 op het Amerikaanse slagschip USS Missouri. 

De schrijfster voert het gemythologiseerde verhaal op van prins Bernhard als oorlogs- en verzetsheld, oorlogs- en verzetsprins en zelfs bevrijdingsprins. Schrijven over ‘vermeende oorlogsrol’ (307) en dat Bernhards reputatie als oorlogsheld gebaseerd mag zijn geweest op een mythe (342) doet hier weinig aan af. Bernhard vierde feest, misdroeg zich en hield drinkgelagen in Brussel, Breda (villa Anneville) en Beekbergen (kasteel Spelderholt). Na de oorlog ontleende Bernhard ten onrechte veel gezag aan zijn gemythologiseerde oorlogsverleden. Hij verkeerde mede daardoor in kringen van de jetset waar hij de verleiding niet kon weerstaan tot het aannemen van steekpenningen door Lockheed en Northrop. Opmerkelijk is het niet erkennen van Juliana’s belangrijke geallieerde werk in Canada. Zij keerde terug naar haar gezin, werd een sociaal betrokken staatshoofd en verving haar hofhouding door de groep van Greet Hofmans, de Baarnse vredesekte. Haar relatie met de reislustige en onbetrouwbare echtgenoot Bernhard was slecht en die met een aantal kabinetten leed onder wederzijdse verdenkingen. In 1956 was ze genoodzaakt de kliek van Hofmans uit het paleis te verwijderen. Vrijheid van geweten en maatschappelijk werk bleef ze belangrijk vinden. Nieuwe crises ontstonden door de huwelijken van haar dochters. Van haar troonsafstand in 1980 tot haar overlijden op 20 maart 2004 leefde ze als prinsesgrootmoeder in de luwte.

Gelderse streken en bestuursregio's

De toerismebureaus van de regio’s Arnhem-Nijmegen (RBTKAN), Rivierenland (RBT Rivierenland) en de Veluwe (VisitVeluwe) hebben een groot gebrek aan historische en geografische kennis. Ze misbruiken geschiedenis en aardrijkskunde om toeristen te trekken. Ze verspreiden mythen over operatie Market Garden en de geschiedvervalsingen van een slag om Arnhem en een capitulatie in Wageningen. Ze kennen bovendien het verschil niet tussen namen van Gelderse landstreken en de sinds 1 januari 2016 opgeheven bestuursregio’s Stadsregio Arnhem-Nijmegen en Rivierenland (geldersestreken.nl). Daarnaast verkrachten ze met historische mythen de geschiedenis voor activiteiten binnen het zogenaamde oorlogs-, herinnerings-, herdenkings- en bevrijdingstoerisme (www.gelderseroutes.nl; www.liberationroute.nl). 

De regio Rivierenland wordt vaak verward met het rivierengebied, zelfs met de Betuwe. Het rivierengebied is de aanduiding voor het deel van Midden-Nederland dat van de grens met Duitsland tot de Noordzee tussen de Neder-Rijn, Waal en Maas ligt. Rivierenland is geen landstreek, maar de benaming van een bestuurlijke samenwerkingsregio voor de Neder-Betuwe, Tielerwaard, Bommelerwaard en Land van Maas en Waal. 

De landstreek de Betuwe bestaat uit de Over-Betuwe, Neder-Betuwe en Tielerwaard. Dagblad De Gelderlander onderscheidt in dit gebied abusievelijk de regio’s Betuwe en Rivierenland. De Betuwe is echter geen regio, maar een landstreek. De Betuwe omvat bij De Gelderlander slechts de landstreek de Over-Betuwe en de bestuursregio Rivierenland (de Neder-Betuwe en de Tielerwaard). De benaming Rivierenland kan dus vervallen. De Betuwe bestaat immers uit de landstreken Over-Betuwe, Neder-Betuwe en Tielerwaard. 

Omroep Gelderland onderscheidt rivierengebied en de opgeheven bestuursregio Arnhem-Nijmegen.  De Over-Betuwe is echter een onderdeel van het rivierengebied en valt abusievelijk onder die opgeheven bestuursregio. Arnhem kan bij de Veluwe en Nijmegen bij het Rijk van Nijmegen. 

Overigens gebruiken de Rabobank en soms De Gelderlander nog steeds de onjuiste benaming Oost-Betuwe. Deze bank beweert geworteld te zijn in de regio. De naam van de regio kent deze bank echter niet. De juiste benaming voor de betreffende landstreek is de Over-Betuwe of Boven-Betuwe.

Duidelijk is dat de namen van de opgeheven bestuursregio’s zo snel mogelijk moeten verdwijnen. De namen van werkelijke Gelderse streken zijn belangrijker. De makers van de website www.geldersestreken.nl of ‘Gelderland levert je mooie streken’ misbruiken nog steeds namen van deze regio’s voor landstreken. Tot de Gelderse streken rekenden zij immers abusievelijk de bestuursregio’s Rivierenland en Arnhem-Nijmegen. Zij leveren geografisch en historisch gezien dus broddelwerk. De Betuwe brengen zij abusievelijk onder bij de bestuursregio Rivierenland. De Betuwe is echter een landstreek in het rivierengebied.

Landschapspark Lingezegen ontaardt in stedelijk uitloop- en recreatiegebied.

Het regionale landschapspark Lingezegen ontaardt in strijd met de oorspronkelijke afspraken in stedelijk uitloop- en recreatiegebied en de landschappelijke hoofdfunctie in een recreatieve. 

In februari 2016 besliste de Gebruikersraad van landschapspark Lingezegen zelfs over de aanleg van een hondenspeelveld in deelgebied De Park van het landschapspark Lingezegen. Kritische opmerkingen stuitten op veel onbegrip. Velen blijken niet op de hoogte van de voorgeschiedenis en de aard van het landschapspark. De bestemming van het beoogde speelveld is overigens natuur. Een hondenspeelveld is dus in strijd met de bestemming.

Landschapspark is compensatie

Tot omstreeks 1990 had het centrale deel van de Over-Betuwe in de provinciale streekplannen de functie van open, groene buffer tussen Arnhem en de Waal. In 1990 stemden Provinciale Staten in met het Ontwikkelingsmodel Arnhem-Nijmegen. Nijmegen kreeg de Waalsprong, Arnhem de Spoorsprong: uitbreiding ten westen van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen ten noorden van Elst. Ter compensatie of verevening voor opheffing van de groene buffer en verregaande verstedelijking van de Over-Betuwe maakten rijk, provincie en knooppunt Arnhem-Nijmegen afspraken over een strategische groene bufferzone. Deze beperkte bufferzone was een schamel restant van de roemruchte groene buffer tussen de Waal en de Neder-Rijn. De compensatie voor de aantasting van het fraaie Over-Betuwse landschap aan de Over-Betuwe (nu de gemeenten Overbetuwe en Lingewaard) bestond uit kwalitatieve landschapsontwikkeling in de vorm van realisering van een regionaal landschapspark Over-Betuwe (later Lingezegen). Het park zou bestaan uit drie Over-Betuwse landschappen die karakteristiek zijn voor het Over-Betuwse rivierenlandschap: boslandschap De Park, waterlandschap het Broek in Rijkerswoerd (Waterrijk) en een grondgebonden agrarisch landschap (Landbouwland). Dat landschapsgebied met grote landschappelijke kwaliteit moest bescherming krijgen. Natuur- en cultuurelementen; bos-, water- en landbouwlandschappen en het zichtbaar maken van oeverwallen, stroomruggen, komgronden en afwateringsstelsels zouden een belangrijke bijdrage leveren aan verhoging van de kwaliteit van het landschapspark. Veel aandacht zou er ook zijn voor cultuurhistorie in de vorm van de Limes, operatie Market Garden, kanaal De Grift en de Betuwe- of defensiedijk. Intensieve recreatie zou uitsluitend zijn toegestaan aan de noordzijde van de Rijkerswoerdse Plassen. In de drie landschappen zou wel ruimte komen voor extensieve recreatie in de vorm van een net van wandel-, fiets- en ruiterpaden. De vormgeving van die paden moest passen bij het landschapskarakter van het park. Het stedelijk uitloopgebied De Woerdt in en bij  de Waalsprong kreeg later aansluiting bij het landschapspark, maar is er geen onderdeel van. De Woerdt heeft een recreatieve functie en het landschapspark een landschappelijke hoofdfunctie. 

Bedreiging en onbegrip

Deze afspraken zouden verwezenlijkt worden in gebiedsperspectieven en bestemmingsplannen. Sinds 2008 lijkt het regionale landschapspark Lingezegen steeds verder verwijderd te raken van de oorspronkelijke afspraken en opzet. Het dreigt zelfs te ontaarden in een stedelijk uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio. Het accent dreigt te verschuiven van de landschappelijke hoofdfunctie naar de recreatieve functie. Dat was juist niet de bedoeling en gaat ten koste van de drie te vormen landschappen. Het Masterplan stelt niet voor niets dat in het landschapspark de Betuwse landschapsgeschiedenis tot uitdrukking dient te komen. Velen wisten/weten kennelijk niet meer wat een landschapspark is en/of achtten zich niet gebonden aan de na onderhandelingen gemaakte afspraken. Sindsdien wordt het beoogde landschapspark bedreigd door onwetendheid over de oorspronkelijke afspraken over drie karakteristieke Betuwse landschappen en het karakter van het landschapspark; meer intensieve recreatie en zelfs dreigende interne verstedelijking. Die verstedelijking heeft de vorm aangenomen van het landschapspark als voornamelijk stedelijk uitloop- en recreatiegebied. Aan de oostzijde van de Rijkerswoerdse Plassen wordt gedacht aan een recreatieboulevard met stedelijke bebouwing bij de cultuurhistorisch waardevolle Betuwe- of defensiedijk. Een deel van deze dijk is zelfs ondanks deze cultuurhistorische waarde verwijderd ter hoogte van het Kempke. Het beoogde bosgebied De Park is vervallen tot een soort mozaïeklandschap met bospercelen, elzensingels, houtwallen, weilanden en boomgaarden. Het dreigt zelfs te ontaarden in een soort stadspark met zelfs een evenemententerrein, laanbomen, hondenspeelveld, kleine bospercelen, voedselbos, waterspeelplaats en boomgaarden. Die elementen horen en passen echter niet in een Over-Betuws boslandschap. 

De bedreiging van het landschapspark is al terug te vinden in het voorontwerp bestemmingsplan Park Lingezegen. Dat spreekt terecht over landschapspark Lingezegen met een oppervlakte van 1100 hectare op grondgebied van de gemeenten Overbetuwe en Lingewaard. Veelzeggend is echter de uitlating in de algemene brochure van het park in aanleg van de ter zake kennelijk ondeskundige wethouder M. Leisink van Arnhem. Hij ‘ziet het landschapspark als de nieuwe voortuin van Arnhem’. Hij heeft van het landschapspark als compensatie voor verstedelijking van de Over-Betuwe en een schakel en een buffer tussen stedelijke gebieden dus niets begrepen.  In strijd met de afspraken krijgt het landschapspark te veel de functie van uitloop- en recreatiegebied. Beter is eerst het landschapspark te voltooien en vervolgens de toegankelijkheid nader te bezien. Veelzeggend is de formulering dat er naast recreatie ook ruimte komt voor bos, landbouw, natuur en water. De landschappelijke hoofdfunctie van het landschapspark wordt geleidelijk verdrongen door de recreatieve.

Historisch juist voor het landschapspark is de formulering dat er naast bos, water, natuur en landbouw ook ruimte komt voor recreatie, vooral extensieve recreatie. In deze bufferzone mag uiteraard geen verstedelijking plaatsvinden in de vorm van stedelijke bebouwing, activiteiten en voorzieningen. Voorbeelden daarvan zijn volkstuinen, evenemententerrein, sport- en wijkvoorzieningen (b.v. een hondenspeelveld), waterspeelplaats en eventueel plaatsing van zonnepanelen. Vestiging van niet-landschappelijke en niet-agrarische activiteiten is immers een vorm van verstedelijking. 

Gebruikersraad

De Gebruikersraad van het landschapspark kan uiteraard geen bestemming voor gebied vaststellen, zeker niet voor een stedelijke wijkvoorziening als een hondenspeelplek. Zo’n voorziening hoort immers niet thuis in een landschapspark, zeker niet op terrein met de bestemming natuur. De raad kan wel wijzen op de kale, vrijwel kaarsrechte wandel- en fietspaden die gebruikers de indruk geven van een ‘uitgekleed’ bosgebied in een landschapspark. Hij kan er ook op wijzen dat laanbomen thuishoren in het stedelijk uitloopgebied De Woerdt en boomgaarden en weiden in het agrarisch gebied (Landbouwland). De raad had er al op moeten wijzen dat een verstedelijkt of uitgekleed bosgebied in de vorm van een mozaïeklandschap of gebied dat lijkt op een stadspark niet past in een landschapspark; zelfs niet in het landschap in de omgeving. Deelgebied De Park is ontaard of verloederd tot een gebied dat ‘vlees noch vis’ is in het landschap(spark). Noodzakelijk is aanpassing van het zogenaamde landschapsmozaïek aan het karakter van het landschapspark, vooral door meer bosaanplant. Anders levert het gebied geen bijdrage, maar doet het juist afbreuk aan het karakter van het landschapspark. Bovendien is aanleg van boslandschap De Park vereist op grond van de in het begin van de jaren negentig gemaakte afspraken. 

Bestuur

Het bestuur van het landschapspark Lingezegen dient te waken voor kwalitatieve landschapsontwikkeling in het landschapspark, vooral de vertegenwoordigers van de gemeenten Overbetuwe en Lingewaard. Het dient ontaarding van het landschapspark met de landschappelijke hoofdfunctie naar stedelijk uitloop- en recreatiegebied met een recreatieve hoofdfunctie tegen te gaan. Overeenkomstig de afspraken over compensatie of verevening in de vorm van een kwalitatief landschapspark dat het karakteristieke Over-Betuwse rivierenlandschap zichtbaar maakt in drie landschappen. De gemeenteraad van Overbetuwe behoort het betreffende bestemmingsplan van Landschapspark Lingezegen aan te passen aan de afspraken, bedoeling en wezen van het Over-Betuwse landschapspark. Hij behoort ook het bestemmingsplan te handhaven. De belangrijkste doelstelling van het park is niet te voorzien in een kwalitatief hoogwaardig uitloop- en recreatiegebied. Voorop staat ontwikkeling van karakteristieke Betuwse landschappen binnen het park. Hoofddoel van het regionale landschapspark is dan ook de aanleg van een karakteristiek Over-Betuws bos- (De Park) en waterlandschap (Waterrijk) met behoud van agrarisch landschap (vooral ten oosten van de A325). In dat agrarisch landschap hoort en past natuurlijk geen Vierdaagsebos. Uiteraard mag de in 1951/1952 aangelegde Betuwe- of defensiedijk vanwege zijn cultuurhistorische en landschappelijke waarde niet aangetast worden.

Holland misbruikt en onbegrepen

Het blijft tobben met het gebruik van de naam Holland, vooral door overwegend randstedelijk of Goois denken. Velen denken nog steeds dat Holland hetzelfde is als Nederland. Dat was uitsluitend het geval tijdens het Koninkrijk Holland van 1806 tot 1810. Holland omvat sindsdien de provincies Noord- en Zuid-Holland. Op die twee provincies hebben de volgende zaken dan ook betrekking. Voornamelijk commerciële omroepen blijken deze in werkelijkheid regionale programma’s op nationale zenders uit te zenden. Voorbeelden van deze producten waarop de andere tien provincies niet zitten te wachten, zijn:  Ik hou van Holland (RTL4); The Voice of Holland (RTL4); Holland’s Next Top Model (RTL5); Holland Zingt (SBS6); Hollands Beste Bloemstylist (SBS6) en Heel Holland bakt (Max, NPO1). En dan is er ook nog de telefoonprovider Hollandsnieuwe voor het westelijke deel van de Randstad.  Om over Eneco met Hollandse wind en Videoalnd met Hollandse films maar te zwijgen. Overigens is Nederland in het Engels The Netherlands. Weermannen en -vrouwen spreken soms abusievelijk over Hollandse luchten en Hollands weer, ook in bijvoorbeeld Gelderland. 

Green Deal is een 2 november 2015 gestarte campagne van de G-12 om de Hollandse keuken duurzamer te maken. Tot de twaalf deelnemers behoren  twee ministeries, Wageningen Universiteit, de Rabobank en de gemeenten Groningen, Ede, Amsterdam en Rotterdam. Merkwaardig is dan ook dat de campagne zich niet richt op de Nederlandse keuken. 

De Gelderlander bespreekt sinds 7 november 2015 vijf zaterdagen een Hollandse Held en brengt bovendien een Zilveren Boekjesreeks over De Hollandse Helden uit. Het dagblad noemt deze helden ook wel nationale of Nederlandse helden. Hollandse helden zijn echter geen nationale, maar regionaal-provinciale helden.

Linda de Mol opende 9 november in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem het dertiende Nationaal Schoolontbijt. Ze zei zelf thuis een Hollands, ja zelfs oer-Hollands ontbijt te gebruiken; streekgebonden dus. Niks geen Nederlands of nationaal gedoe. 

Ook de onlangs overleden Duitse oud-bondskanselier Helmut Schmidt bleek de naam van een van de buurlanden niet te kennen. De Hamburger sprak nog over Holland. 

De toerismebureaus van de regio’s Arnhem-Nijmegen en de Veluwe (VisitVeluwe) voeren een campagne onder de leus ‘Das andere Holland’. ‘Duitsers moeten Gelderland ontdekken als vakantiebestemming’. De bureaus misbruiken daarvoor het begrip Holland en wekken de indruk dat ook de andere tien provincies onder Holland vallen. De toerismemanagers denken waarschijnlijk ook nog dat het andere Beieren de rest van Duitsland betreft. Overigens ‘moeten’ deze Duitsers die de naam van een van hun buurlanden niet kennen niets. Deze bureaus misbruiken zonder voldoende kennis geschiedenis en aardrijkskunde om toeristen te trekken. Ze verkondigen veel onzin over operatie Market Garden en verspreiden de geschiedvervalsing van een capitulatie in Wageningen. Ze kennen bovendien het verschil niet tussen Gelderse landstreken en de bijna opgeheven bestuursregio’s Arnhem-Nijmegen en Rivierenland (www.geldersestreken.nl). Daarnaast verkrachten ze met historische mythen de geschiedenis voor activiteiten binnen het herdenkings- en bevrijdingstoerisme (www.gelderseroutes.nl; www.liberationroute.nl.   

Uit reacties blijkt het gebruik van Holland voor Nederland voort te vloeien uit onwetendheid, onbegrip en een zekere bekrompenheid.  Het gebruiken van de stijlfiguur pars pro toto, waarin iets door het noemen van een deel ervan wordt aangeduid, komt niet zo vaak voor. Velen kennen die stijlfiguur niet eens. 

Namen van bestuursregio’s verstoren Gelderse streken

Bij de waterschapsverkiezingen op 18 maart 2015 bleek opnieuw hoezeer Rivierenland wordt verward met het Rivierengebied, zelfs met de Betuwe. Ook door kandidaten voor het waterschapsbestuur. Het rivierengebied is een aanduiding voor dat deel van Midden-Nederland dat van de grens met Duitsland tot de Noordzee tussen de Neder-Rijn, Waal en Maas ligt. Rivierenland is geen landstreek, zelfs geen deel van dit rivierengebied. Het was de benaming voor een bestuursregio voor de Neder-Betuwe, Tielerwaard, Bommelerwaard en Land van Maas en Waal. De landstreek de Betuwe bestaat uit de Over-Betuwe, Neder-Betuwe en Tielerwaard. De Over-Betuwe viel onder de bestuursregio Arnhem-Nijmegen. 

Dagblad De Gelderlander onderscheidt in dit gebied abusievelijk de regio’s Betuwe en Rivierenland. De Betuwe omvat slechts de Over-Betuwe en Rivierenland de Neder-Betuwe en de Tielerwaard. De benaming Rivierenland kan dus vervallen. De Betuwe bestaat immers uit de Over-Betuwe, de Neder-Betuwe en de Tielerwaard. 

Omroep Gelderland onderscheidt rivierengebied en de voormalige bestuursregio Arnhem-Nijmegen.  De Over-Betuwe als onderdeel van het rivierengebied valt abusievelijk onder die bestuursregio. Arnhem kan bij de Veluwe en Nijmegen bij het Rijk van Nijmegen. 

Duidelijk is dat de namen van opgeheven bestuursregio’s zo snel mogelijk moeten verdwijnen. De namen van echte Gelderse streken zijn belangrijker. De makers van de website www.geldersestreken.nl of Gelderland levert je mooie streken weten echter niet dat bestuursregio’s geen landstreken zijn. Tot de Gelderse streken rekenen zij Rivierenland en de regio Arnhem-Nijmegen. Zij leveren dus broddelwerk. De Betuwe brengen zij abusievelijk onder bij Rivierenland. De Betuwe is echter een landstreek in het rivierengebied.

Massamedia verwarren geregeld buurtschappen en buurschappen, net als Betuweroute en Betuwelijn. De grote verschillen tussen beide spoorlijnen zijn echter goed zichtbaar. De Betuwelijn is voor personenvervoer, heeft enkel spoor en is in gebruik genomen tussen 1882 en 1885. De Betuweroute is uitsluitend voor goederenvervoer, heeft dubbel spoor en is in gebruik sinds 2007. De Betuwelijn tussen Elst en Dordrecht is 16 juli 1885 geopend, grotendeels niet geëlektrificeerd en 94 km lang. De Betuweroute tussen Rotterdam en Zevenaar met aansluiting op Duitsland is 16 juni 2007 geopend, geëlektrificeerd en heeft een lengte van 160 km. De Betuwelijn slingert rustig door het vlakke Betuwse landschap en is een belangrijke ontsluiting van het rivierengebied. De Betuweroute snijdt de Betuwe in twee gedeelten, beperkt daardoor de ontsluiting en vormt een lelijke en zware aantasting van het fraaie rivierengebied. Wie deze ‘misinvestering van de twintigste eeuw’ abusievelijk Betuwelijn noemt, spreekt vaak ook over buurtschap en gehucht Reeth. Deze verwarring van buurschap met buurtschap door buitenstaanders of leken op dit gebied is begrijpelijk. Niet zichtbaar is immers of een bewoningskern een voormalige buurschap is. Journalisten van de Gelderlander, editie Betuwe, beweren dat het woord buurschap niet meer bestaat. Het komt immers niet voor in de Woordenlijst van de Nederlandse Taalunie. Die lijst is echter slechts een hulpmiddel bij het spellen en geen voorgeschreven lijst van officieel toegelaten woorden. Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal omschrijft buurtschap als enige bij elkaar staande woningen. Een buurtschap is dus wel zichtbaar. Buurschap slaat op betrekkingen tussen buren, buurschap houden op goede omgang met buren. Deze zeer beperkte omschrijving doet geen recht aan een buurschap als een plattelandsorganisatie met waterstaatkundige, bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheden. Buurschap verwijst naar samenwerking van (na)buren  (boeren), de inwoners van een buurschap.

Rond het dorp Elst in de Over-Betuwe lagen tot de tweede helft van de twintigste eeuw negen oude  buurschappen. De gemeente Arnhem annexeerde 1 maart 1966 Elden, Meinerswijk en De Praets en 1 januari 1974 gebied ten zuiden van het dorp Elden. Daaronder vielen het westelijke deel van de buurschap De Laar en het noordelijke deel van de buurschap Rijkerswoerd. De Rijkerswoerdsestraat, de Laarstraat en het verlengde daarvan vormen sindsdien de zuidelijke bebouwingsgrens van Arnhem. Het doel van deze grens is het open landelijke gebied ten zuiden van beide straten te vrijwaren van ongewenste, vooral stedelijke bebouwing. De gemeenten Elst en Heteren moesten 1 januari 1995 bovendien voor de Arnhemse Vinex-woonwijk Schuytgraaf gebied afstaan, waaronder het westelijke deel van De Laar. De gemeenten Elst, Bemmel en Valburg moesten 1 januari 1998 delen van Ressen, Lent en Oosterhout overdragen aan Nijmegen. Die stad wilde beslist ten noorden van de Waal grond voor de fel omstreden Vinex-woonwijk De Waalsprong. De in 1993 vastgestelde Ontwikkelingsvisie voor het Knooppunt Arnhem-Nijmegen hield opheffing in van de Over-Betuwe als open groene buffer tussen Arnhem en Nijmegen. Als compensatie voor de ingrijpende verstedelijking van de Over-Betuwe sinds 1993 dient het regionaal landschapspark Lingezegen, voorheen Over-Betuwe. Twintig jaar later is dit provinciaal verstedelijkingsbeleid zichtbaar grotendeels mislukt en de Over-Betuwe zwaar aangetast.

De bewoningsgeschiedenis van de Over-Betuwe begint in de jonge steentijd (ca. 5000-2000 v. Chr.). Bewoningsmogelijkheden waren door activiteiten van de rivieren beperkt tot  hooggelegen gronden. Omstreeks 50 voor Chr. onderwierpen Bataafse indringers de bewoners in de Rijndelta. Bataven vestigden zich op stroomruggen, oeverwallen en woerden met een bewoningsconcentratie in en rond Elst. Een aantal van deze bewoningscentra ontwikkelde zich tot de kern van tien buurschappen, waaronder Elst. De centrale hoogte in Elst was het Bataafse sacrale centrum. Het centrale openluchtheiligdom op deze plaats lag in het centrum van het Bataafse gebied op een kruispunt van wegen. Deze cultusplaats was ook een offerplaats.

Uit de nevelen van de geschiedenis doemen in schenkingsakten en goederenlijsten de oudste vermeldingen op van Over-Betuwse buurschappen, kerkdorpen en heerlijkheden: 673 Wulfaram (Wolferen); 726 villa Heliste (Elst) of Marithaime; 793 villa Falburc marca (Valburg); 814 Meginhardeswich (Meinerswijk; plaats van Meginhard); 855 Euuci Silec (Eeuwig Slijk of Slijk-Ewijk); 885 Andassale (Andelst); 996 Thrile, later Dreyle (Driel); 1003 Reinwigh (Rijnwijk, Randwijk); tiende eeuw Herveld; 1005 Sethone (Zetten), elfde eeuw Lona (Loenen); eind elfde eeuw Ostreholt (Oosterhout); 1172 Lent, 1188 Hemmen en 1232 Insula de Hetere (Heteren). Villa was de aanduiding voor buurschap of hof. Vóór 1250 waren in de Over-Betuwe vrijwel alle buurschappen ontstaan. 

Elst met buurschappen

Het kerspel of kerkdorp Elst is ontstaan uit de buurschap Elsterdorpsbuurt. De dorpskern lag op een kruising van wegen bij de Bataafse cultusplaats, later de kerk met een kerkhof en enkele gebouwen. Om de Elsterbuurt lagen de buurschappen De Laar, Rijkerswoerd, Aam, Bredelaar, Merm, Reeth, Eimeren, Lienden en Hollanderbroek. De Laar dankt de naam aan veel broekland; Rijkerswoerd aan de naam van een persoon (de woerd van Rijk, Rijkers of Riekers); Aam aan de waterloop de Aam[i]; Bredelaar aan de brede verkaveling-strook voor ontginning; Merm aan het landgoed Marithaime dat Kartel Martel (714-741) 9 juni 726 schonk aan bisschop Willibrord of een nabijgelegen meer; Reeth aan rijden of rijweg; Eimeren ook aan een meer of meren (heim, huis aan meren); Lienden aan het geslacht Van Lynden en Hollanderbroek aan door Hollanders ontgonnen broekland. Hollanderbroek was na de ontginning de grootste buurschap. Die lag tussen de Laarse zeeg ten oosten van de Grote Molenstraat en de Langstraat, de Dorpsstraat en het Vlot. De Laar bestond slechts uit drie boerderijen. Ook Bredelaar en Merm waren kleine buurschappen met enkele boerderijen. De bevolkingsaantallen in omliggende buurschappen schommelden tussen enkele tientallen en tweehonderdvijftig.  Het kerkje in Elst was toegewijd aan St. Maarten. Werenfried predikte op de stroomruggen tussen Elst en Westervoort. Elst viel onder het bisdom Utrecht. 

Openbare lichamen 

Buurschappen vormden economisch en staatsrechtelijk de grondslag van de middeleeuwse samenleving. Ze bleven na de middeleeuwen nog een viertal eeuwen bestaan. Deze buurschappen op hooggelegen stroomruggen, oeverwallen en woerden zijn de oudste vormen van (plattelands)organisatie van de samenleving. Op de Veluwe heten ze maalschappen en in Drenthe en Twente marken. De wordingsgeschiedenis van buurschappen is historisch niet na te gaan door het ontbreken van schriftelijke bronnen. Duidelijk is wel dat buurschappen zich hebben ontwikkeld uit de oudste agrarische nederzettingen. De Vries meent dat buurschappen en burenraden met burenrichters van Germaanse oorsprong zijn. Sommige buurschappen zijn ontstaan uit het Frankische hofstelsel als voortzetting van een hof, curtis (hoofdhof) met bijbehorende villa.[ii] In het hofstelsel verdeelde de leenman zijn leengoed in hoven die anderen (hofheer, villicus, meier) voor hem exploiteerden. Omliggende landerijen mochten zijn ondergeschikten voor zichzelf bewerken. In ruil daarvoor moesten die het hofland of saalgoed voor de leenman bewerken en een deel van de opbrengst van hun landerijen afstaan; vaak 10%. Met dit tiendrecht bond de leenman zijn ondergeschikten aan zijn hof. Deze belangrijke grote boerderijen met bijbehorende grond behoorden vaak aan de landsheer, vrijheer of geestelijke instelling. Een andere ontstaansgrond van buurschappen was ontginning, bijvoorbeeld de buurschap Hollanderbroek bij Elst.[iii] Ontginning was overigens ook van groot belang voor uitbreiding van buurschappen, vooral van de buurschappen De Laar, Rijkerswoerd en Bredelaar.

Buurschappen bestonden uit boerderijen (bouwhoven), hofsteden (kleine boerderijen) en daglonerhuisjes. Soms maakte een klooster deel uit van een buurschap zoals het St. Elisabethklooster in Eimeren. Het was in 1493 door brand zwaar beschadigd en in 1588 verwoest. Elst en omgeving waren in dat laatste jaar verbrand door stropende Spaanse soldaten. Een verhoging in het terrein bij de boerderij  ‘’t Klooster’ herinnert nog aan het verdwenen kloostergebouw. In Rijkerswoerd stond omstreeks 1470 een aan de H. Maagd gewijde buurschapkapel. In 1588 vertrokken de laatste nonnen naar het klooster in Huissen. De naburen gebruikten de Mariakapel tot 1812 als buurhuis.

De bewoners van een middeleeuws buurschap of boerengemeenschap behoorden tot verschillende groepen. De edelman of landsheer woonde meestal buiten de buurschap op zijn landgoed, de havezate (grote boerderij, hof, hofstede, hoeve). De eigengeërfde, eigenerfde of vrije boeren waren eigenaar van hun boerderij met (bouw)gronden. Deze vaak grote boeren hadden bovendien waardelen (aandelen) in een buur- of boermarke, het gemeenschappelijk begrensd en onverdeeld bezit van een buurschap. Dat gebied was gezamenlijk eigendom van de eigenerfde boeren in de buurschap. Die hadden elk een vastgesteld aandeel of waardeel in de marke. De hoeveelheid waardelen die iemand bezat, bepaalde hoeveel macht hij had in de boermarke. Vrije boeren konden gebruikmaken van gemeenschappelijke gronden (broek, weiland (ment(e), meent(e), meint(e)) en bouwland (eng) buiten de kern van de buurschap, de buurmarke. De bewoners van de marke, de markengenoten, hadden ook rechten. Zij mochten daar  een aantal stuks vee laten grazen, een bepaalde hoeveelheid hout sprokkelen of turf steken. Zij hadden de eigenerfde boeren gemachtigd de marke te besturen. Wellicht hadden die vrije boeren die gronden eerst onder hun macht gebracht. Aan het hoofd van de markenorganisatie stond de markenrichter. Eigenerfde boeren die in het bezit waren van een paard, harnas en steek- of slagwapens waren weerboeren. Zij konden opstijgen in de rangen van de lage adel tot ridder (ruiter). Kleine zelfstandige boeren (keuterboeren) hadden wel een eigen boerderij met erf maar bezaten minder dan een kwart waardeel. Pachtboeren of meiers bewoonden een erf dat eigendom was van een ander (edelman, eigengeërfde, kerk, klooster). Landarbeiders waren in dienst van een eigenerfde of een keuterboer. Zij woonden vaak in een huisje met grote moestuin bij de boerderij. Ook geestelijken van een parochie, klooster of kerk konden in de buurschap wonen. Buurschappen waren gewoonlijk te bereiken over smalle paden begrensd door een sloot aan de ene zijde en diepe karrensporen aan de andere zijde. Houten bruggen waren gebouwd over pijpen en (wat grotere) zegen of afwateringssloten.

Buiten de buur- of boermarke lag onontgonnen gebied dat vooral bestond uit komgronden. Het woord ‘laar‘ of ‘laer’ in de buurschappen De Laar en Bredelaar betekent onbebouwde woeste grond, broekland, moerassig land of open plaats in een bos; vooral kreupelbos. Het ontginningsgebied strekte zich in De Laar uit van de huidige Laarstraat naar de Elderwal (Kroonse wal) en van de Griftdijk tot de Grote Molenstraat. Doel van de ontginning was het winnen van weiden voor de veeteelt. Deze in 1879 door de spoorlijn Arnhem-Elst doorsneden buurschap bestond slechts uit drie boerderijen: de Voorste, Middelste en Achterste Laar. Die stonden op de oost-west gerichte rug van vruchtbare moor- of moergrond van waaruit de ontginning plaatsvond. Deze rug strekte zich uit tot in de buurschap Rijkerswoerd. Die buurschap bestond uit de hooggelegen Hoge Woerd ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat; het laaggelegen Broek tussen die straat en de Rijn- en Waalwetering (Linge); en het Polderke ten zuiden van de Waalwetering en ten oosten van de oude Griftdijk. Bewoning was slechts mogelijk in het Polderke en ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat op de hooggelegen woerd. Die heette in de veertiende eeuw ‘het Hoog’ en lag op de rug van moergrond. In het waterrijke Broek was geen bewoning mogelijk. Ontginning vond plaats vanuit de woerd en de hoge rug. Aan beide einden van de huidige Kerkstraat lagen gronden die gemeenschappelijk bezit van de buurschap waren: in het noorden de Gemeinte en in het zuiden bij de Linge de weide het Gemeint. De ontginning door Hollanders van de buurschap Hollanderbroek is duidelijk zichtbaar in het gebied tussen de Hollanderbroeksestraat en de Langstraat in Lienden. Het Hollandse systeem van ontwatering van de broeklanden bestond uit het volgens een vast plan op regelmatige afstand graven van evenwijdige sloten.

In de Over-Betuwe was de buurschap de typische nederzettingsvorm. Die bestond uit bij elkaar liggende boerderijen met bijbehorend bouwland al dan niet met een gezamenlijk veld met bos als achterland. Deze buurschappen waren autonome openbare lichamen met bestuursvormen voor waterstaatszaken, zelfbestuur en rechtspraak. Ze regelden waterkering en –lossing met opgeworpen wallen en een ontwateringstelsel van pijpen, zegen en weteringen. Ze zorgden voor ophoging van hun woonplaatsen en onderhoud van paden en wegen. Buurschappen bouwden in de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw in de ‘landstreek Batua’ dijken en groeven in 1244 een centraal afwateringskanaal; waarschijnlijk onder gezag van de graaf van Gelre. Die was sinds de dertiende eeuw de grootste grondbezitter in deze landstreek. Dit afwateringskanaal bestond uit de smalle noordelijke Rijnwetering en de brede zuidelijke Waalwetering gescheiden door een aarden wal, de ‘Wetteringsewal’. 

Het Lingekanaal voert water af naar de Linge, een zijrivier van de Waal, die uitmondt in de Merwede bij Gorinchem. Het afwateringskanaal is een samenraapsel van natuurlijke rivierlopen en gegraven weteringen dat in verbinding staat met een ingewikkeld stelsel van watergangen. Daartoe behoorden tocht- of leigraven (geleide gegraven waterloop), pijpen, zegen en sloten. Buurschappen zorgden voor het onderhoud. Het kanaal kreeg zijn huidige breedte in 1951/52 bij een grootschalige verbetering van de waterafvoer. Die bestond uit het afsnijden van bochten, uitdiepen van het waterbed, opruimen van de dam en de bouw van acht stuwbruggen. De inlaat bij Doornenburg, het  mr. G. J. H. Kuijk-hulpgemaal (1953) in Lakemond en het dr. G. Kolffgemaal (1945) in Neder-Hardinxveld dragen bij tot behoud van een hoog waterpeil in het kanaal. Dat is noodzakelijk voor de Over-Betuwse bodemcultuur.

Een buurschap was, zoals vermeld, het laagste openbare bestuursorgaan en de laagste autonome rechtskring. Naast een vorm van zelfbestuur en rechtspraak had de buurschap een collectieve waterstaatstaak. Die omvatte de zorg voor wallen, dijken, wegen, pijpen en zegen (waterafvoerende sloten). Grondeigenaren hadden zich verenigd ter behartiging van gemeenschappelijke belangen, vooral waterstaatszorg, veiligheid en orde (rechtspraak) en bestuur. De geërfden vergaderden in de geërfdenvergadering of –dag en met de andere buren in burenraden op de buursprake of ommestand. De buren maakten daar afspraken of zorgden voor ‘wetgeving’. Twee gekozen buur- of boermeesters vormden het dagelijks bestuur van de buurschap. Zij hadden uitvoerende macht voor voornamelijk waterstaatszorg en burgerlijk bestuur. Deze buurmeesters vertegenwoordigden de geërfde grondbezitters en het gemene volk dat gebruik maakte van gemene gronden (gemeenschappelijk bezit van de buurschap). Burenrichters voerden besluiten van het op mondelinge tradities gebaseerde buurschapsgericht over rechtspraak uit.  Sommige buurschappen ontwikkelden zich sinds de twaalfde eeuw tot een kerspel (karspel) of kerkdorp (kerkgemeente, parochie), vaak met een kerk en een school. Soms omvatte een kerspel verscheidene buurschappen, zoals Elst. Kerspels maakten deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom, zoals Elst, Elden en Lent. De inwoners heetten kerspellieden. Door hen gekozen buurmeesters hadden waterstaatstaken en bestuurden het kerspel, vaak met het kerkbestuur. Een kerspelrichter sprak recht. 

Centralisatie

Kenmerken van de late middeleeuwen (1250 tot 1500) waren  opkomst van nationale eenheidsstaten; een begin van centralisatie van bestuur; toenemende verstedelijking en handel; heropleving van de geldhandel; economische crises en hongersnoden; afbrokkeling van het feodale stelsel en daarmee van de macht van de adel. Andere kenmerken waren de reformatie, het humanisme, de renaissance en strijd tussen kerk en staat. In verschillende gebieden vestigde zich een al dan niet sterk centraal gezag. Die centralisatie betekende een beperking van het gezag van lokale buurmeesters en gerichtslieden. Noodzakelijk was een centrale regeling voor onder andere dijkwezen, waterafvoer en rechtspraak. De macht van graven en hertogen nam toe. Een groot deel van het gebied tussen Rijn en Waal was bezit van de graven van Gelre.

Van 1327 tot in de negentiende eeuw kende de Over-Betuwe drie (betrekkelijk) autonome bestuurscolleges: buurschap, kerspel en ambt. Reinoud (Reinald) II de Zwarte (ca. 1295-1343) was van 1326 tot 1339 graaf.  Keizer Lodewijk de Beier verhief hem in 1339 tot hertog (van Gelre). In 1327 maakte landsheer Reinoud een einde aan de gouw Batua, Batue of Betuwe als één bestuursonderdeel. In zijn land- en dijkbrief van 11 december 1327 introduceerde hij een bestuurlijke indeling met gecentraliseerde bevoegdheden voor burgerlijk bestuur, waterstaatszaken en rechtspraak. Hij verdeelde het gebied tussen de Neder-Rijn en de Waal in de ambten Over-Betuwe[iv], Neder-Betuwe en de met de Bommelerwaard verbonden Tielerwaard. De Tielerwaard behoorde in de middeleeuwen bij het graafschap Teisterbant. Reinoud legde het ambt als een deken over de kerspels en buurschappen.

De ambtman vertegenwoordigde in het ambt de soeverein en behartigde diens belangen. Gecentraliseerde bevoegdheden voor bestuur, waterstaatszaken en vooral rechtspraak waren in zijn functie verenigd. Hij had voornamelijk uitvoerende macht en leidde de colleges voor burgerlijk bestuur, waterstaatszorg en rechtspraak. Hoofdambtenaren waren de secretaris of landschrijver, de gericht- of dijkschrijver en de land- of dijkbode of dijkschout. De ambtman was de hoogste bestuursambtenaar die later in het ambtsbestuur hulp kreeg van ambtsjonkers, leden van de Over-Betuwse ridderschap of landadel. Hij vormde als dijkgraaf met vijf heemraden de dijkstoel, het dagelijks bestuur van het waterstaatsbestuur. Als dijkgraaf moest hij zorgen voor het onderhoud van de dijken en de waterlossing en toezicht houden op het onderhoud van wegen. Hij was bovendien richter (rechter) en fungeerde als openbaar aanklager en voorzitter van de rechtbank. Hij had hulp van vier richters (deurwaarders of peynders), de latere schouten. De ambtman-richter-dijkgraaf zetelde in Andelst, Valburg of Elst. Vergaderingen waren in Elst en Bemmel, sinds de achttiende eeuw alleen in Elst. Tweemaal waren er gewone gerichtsdagen voor het bespreken van zaken van het ambt. De ambtman besprak deze met leden van de ridderschap die daarvoor in aanmerking kwamen en twee stedelijke afgevaardigden. Er werd ook recht gesproken. Er waren twee gerichts- of rechtbanken. De rechtbank in Andelst ging in 1446 naar Valburg en in 1686 naar Elst. De oorspronkelijk Kleefse rechtbank in Ressen ging in 1611 naar Bemmel en in 1721 naar in het 1694 aangekochte huis voor het Ambtshuis in Elst. Deze rechtbanken met gerichtsluiden in schoutambten namen criminele rechtspraak over van de buurschapsgerichten.  

Een verdachte kon soms gebruikmaken van het recht van appèl. Hoger beroep was mogelijk bij de zogenaamde klaring of klaarbank, die de landsheer of diens plaatsvervanger voorzat. Klaring voor de Over-Betuwe vond plaats op de Praets in de heerlijkheid Meinerswijk. Klaren betekent rechtspreken in hoger beroep. De klaarbank van Over-Betuwe op de Praets te Meinerswijk werd in 1383 het hemael of heymael  genoemd. De klaarbank kwam uitsluitend bijeen als er beroepszaken waren. Aanwezig in de Praets waren de landvorst of diens zaakgelastigde en  afgevaardigden van de ridderschap en steden, onder wie twee schepenen van Arnhem. De uitspraken van de klaarbank waren bindend. De zittingen werden gehouden op een weide op een oeverwal of in een herberg nabij het veer. In 1668 was de laatste zitting op de Praets. De Gelderse Landdag of de Staten van Gelre en Zutphen bepaalde in 1676 dat beroep uitsluitend mogelijk was bij het Hof van Gelre en Zutphen.[v]

De rechtspraak in het ambt had een onderverdeling in pander- (peijnder-) of schout (schol)ambten (combinatie van kerspels) en die later in onderschoutambten (kerkdorp). Aan het hoofd van het schoutambt stond de ambtsschout (sculetus, schult, scholt, scholtus). Hij vertegenwoordigde op lokaal niveau (kerspels) de ambtman. De ambtsschout fungeerde als deurwaarder (peynder) en richter en had de zorg voor de openbare orde. Hij sprak recht in minder belangrijke zaken, bijgestaan door de gerichtsnaburen (soort gemeenteraad), gerichtsluiden of eigenerfde boeren, de latere schepenen. De ambtsschout was met de twee buurmeesters in een dorp verantwoordelijk voor lokale voorzieningen. Er waren meer door de landsheer benoemde functionarissen, onder wie de borgemeester die als beheerder van de dorpsfinanciën met zijn persoonlijk vermogen borg stond voor lokale tekorten. Schout en schepenen zorgden voor bestuur, ordehandhaving en rechtspraak. Zij waren doorgaans een onderdeel van een grotere bestuursstructuur, zoals het drostambt. De ontwikkeling van een dorp begon overigens pas in de negentiende eeuw.

De autonome buurschappen kregen na 1327 ook medebewindstaken opgelegd. Er trad uiteraard een zekere spanning op tussen autonomie en medebewind. Medebewindstaken waren onder meer het meewerken aan aanslag en inning van belastingen, inkwartiering van soldaten en in tijd van nood oproepen van weerbare manschappen voor de dijkbewaking en –versterking (klokkenslag). Tot deze taken behoorden ook het onderhoud van dorpsstraten, zorg voor de Elster paardenmarkt en een subsidie voor de vroedvrouw. Buurmeesters moesten jaarlijks in handen van de ambtman de eed afleggen dat zij hun kerspels en buurwerken op de minst kostbare wijze zouden doen maken en onderhouden.[vi] Van 1684 tot 1838 moest een buurschap de twee buurmeesters kiezen uit een voordracht van de ambtman. Buurmeesters werden geleidelijk functionarissen van de schout, ambtman of landsheer. De waterstaatstaak was de belangrijkste. De land- en dijkbrief van 1383 bepaalde dat een buurschap of kerspel verantwoordelijk was voor verlaten dijkvakken. In de buurschappen hieven de twee buurmeesters dorpslasten. Daar functioneerden dus twee buurmeesters en soms ook een schout. De Landsbrieven van 1445 en 1493 spraken over twee buurmeesters per buurschap of kerspel met een bode.

Het Ambt Over-Betuwe bestond uit vijf schoutambten: Heteren, Valburg, Elst, Bemmel en Herwen en Aerdt (tot 1818). Onder het schoutambt Bemmel vielen Bemmel, Angeren en Doornenburg. Het schoutambt Heteren omvatte de kerkdorpen Heteren, Driel en Randwijk en de buurschap Lakemond. Onder het schoutambt Valburg vielen de kerkdorpen Andelst, Herveld, Oosterhout, Slijk-Ewijk, Valburg en Zetten. Het schoutambt Elst bestond uit de kerkdorpen Elst, Elden en Lent en de negen buurschappen. Dit schoutambt reikte dus van de Neder-Rijn tot de Waal. Stedelijke expansie zou hieraan in 1966 en 1998 een einde maken. De indeling in schoutambten heeft zich op hoofdlijnen eeuwenlang kunnen handhaven. Het schoutambt was een lokale bestuursvorm uit de periode van het oude bestuur tussen het einde van de middeleeuwen (ca. 1500) en de Franse tijd (1795).

Enclaves in het rechtsgebied van de ambtman waren de hoge heerlijkheden Loenen en Wolferen, Hemmen, Homoet, Indoornik, Pannerden, Hulhuizen, Meinerswijk (Praets). Gendt, Ressen en Doornik. Deze zelfstandige rechtsgebieden van een kleine landsheer of vrijheer hadden eigen bestuur en rechtspraak. Natuurlijk was de heer de belangrijkste en vaak de enige geërfde. Loenen en Wolferen en Indoornik waren lenen van de graaf van Kleve. Ook Huissen, Hulhuizen en Malburgen waren Kleefse enclaves. Homoet was van 1347 tot 1486 een leen van de heren van Homoet en na 1488 van graaf Van de Berg, heer van ’s-Heerenberg. Hemmen behoorde al in 1390 aan de adellijke familie Van Lynden.  Het buurbestuur met onder anderen buurmeesters viel in die heerlijkheden samen met het ambtsbestuur. De gerichtsbank was aangesteld door de heer. Als ambtman had hij enige en als dijkgraaf grote invloed.

Sinds de 14de eeuw bestond het Hertogdom Gelre uit vier kwartieren: het kwartier van Zutphen;  Veluwe (Arnhem); Nijmegen met het plattelandsgebied tussen de Rijn en de Waal; en het Overkwartier van Gelre (Gelder; Roermond) met omliggend land. Deze kwartieren zonden hun vertegenwoordigers naar de Staten van de Kwartieren. Een college van gedeputeerden droeg zorg voor de afwikkeling van zaken die een kwartier betroffen. Een schout die onder meer hulpofficier van justitie was, moest op de naleving van wetten letten en misdadigers voor voor het gerecht brengen. Hij was ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de wegen tussen verschillende dorpen in zijn schoutambt Daarvoor kon hij inwoners oproepen om mankracht te leveren. In elk kerkdorp was meestal een onderschout. Eens per jaar was er een landgericht in het schoutambt over civiele kwesties die in de dorpen leefden. Voor zware overtredingen was er de rechtbank van het ambt en voor misdrijven sinds 1544 het Hof van Gelre en Zutphen. De Staten van de Kwartieren vormden met stemhebbende steden en de ridderschappen de Staten van Gelre en Zutphen, het hoogste bestuursorgaan van Gelre. 

Van de basis naar de top liep de lijn van buurschap (buurmeesters) – kerkdorp (buurmeesters) - schoutambt (schout) – ambt (ambtman) – kwartier (staten) naar hertogdom (hertog).

Het Kwartier van Nijmegen bestond uit de steden Nijmegen, Gendt, Tiel en Zaltbommel en het platteland dat verdeeld was in zeven ambten met een Ambtsbestuur.  Die ambten waren Rijk van Nijmegen, Maas en Waal, Over-Betuwe, Neder-Betuwe, Tieler- en Bommelerwaard en Beesd en Rhenooi. De Over-Betuwe kreeg omstreeks 1650 een eigen dijkgraaf. Het bestuur van het Nijmeegse kwartier bestond na de middeleeuwen uit afgevaardigden van steden en ridderschap.

Op basis van de land- en dijkbrief van 1445 verschenen in de ambtsvergadering van de Over-Betuwe drie Over-Betuwse ambtsjonkers (edelen uit het ambt) en twee stedengezanten: een uit Arnhem en een uit Nijmegen. Die gezanten moesten in hun stad schepen of raadslid zijn en twintig morgen land in de Over-Betuwe bezitten. Zij moesten stedelijke belangen behartigen en konden ook een heemraadplaats innemen. Omstreeks 1532 kregen de ambtsjonkers belangrijke bestuurstaken als leden van het landgericht. In 1579 worden zij ook betrokken bij het vaststellen van de aanslagen voor de personele belasting. In de Bataafse Republiek verliezen de ambtsjonkers in 1795 hun functie.

Kenmerkend voor het oude bestuur was de geringe politieke invloed van de opkomende burger, ambachtsman en arbeider. Daartegenover stond de te grote invloed van adel en hoge geestelijkheid. Op het platteland bestond een grote tegenstelling tussen boeren en grootgrondbezitters. Een feodaal dorpsheer kon wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht uitoefenen.

In 1588 namen de Staten van Gelre de plaats in van de landsheer. De Gelderse Staten benoemden voortaan de ambtman. In die Staten van Gelre zaten afgevaardigden van het platteland en de stemhebbende steden.

Tijdens de Bataafs-Franse tijd van 1795 tot 1813 introduceerde de Staatsregeling van 4 mei 1798 acht departementen en lokale besturen. De regeling introduceerde ook het begrip municipaliteit (gemeentebestuur in plaats van ambt) en sprak over gemeenten in staatkundige zin. De ambtman verloor zijn rechterlijke macht. De Staatsregeling van 1801 bracht een nieuwe departementale indeling van de Bataafse Republiek. De inlijving bij het Keizerrijk van Napoleon van 1811 tot 1813 bracht de Franse bestuursindeling met departementen, arrondissementen, kantons en mairies. Een mairie (gemeente) stond onder leiding van een maire (burgemeester) en viel in de Over-Betuwe samen met een schoutambt.  De mairie Heteren behoorde tot het kanton Elst, arrondissement Tiel en departement Boven-IJssel. Deze mairie omvatte Driel (633 inwoners), Heteren (454), Homoet (116) en Indoornik (115). Lakemond en Randwijk (406) vielen onder de mairie Hemmen. Onder de mairie Elst vielen de kerkdorpen Elst, Elden, Lent,  de negen buurschappen rond Elst en Meinerswijk (45). In 1808 telde de gemeente Elst 2971 inwoners: Elst 563, Elden 525, Lent 843, De Laar 26, Rijkerswoerd 109, Aam 128, Bredelaar 36, Merm 28, Reeth 134, Eimeren 84, Lienden 252 en Hollanderbroek 243. Valburg had 500 inwoners, Andelst 336, Zetten 325, Slijk-Ewijk 290, Loenen 91 en Wolferen 14.[vii] 

In 1811 verloor de buurschap haar rechterlijke bevoegdheden aan het kantongerecht bij de scheiding van burgerlijk bestuur, rechtspraak en waterbeheer/waterschapsbestuur. Heerlijkheden gingen op in een gemeente. De ambtman verloor zijn bestuurstaken en was alleen nog dijkgraaf.

Koning Willem I vaardigde bij Koninklijk Besluit van 11 februari 1817 het Reglement voor het platteland van Gelderland uit. Dat trad 1 januari 1818 in werking en bracht onder meer de dijkgraaf met het college van hoofdingelanden. De titel van burgemeester kwam in de plaats van die van de schout. De Kleefs-Pruisische enclave Huissen kwam in 1816 bij Nederland. Herwen en Aerdt ging in 1818 naar het kanton Zevenaar. Het Ambt Over-Betuwe was vervangen door het hoofdschoutambt, de ambtman door de hoofdschout die vooral dijkgraaf was en de maire door de schout of burgemeester. Het drost- of hoofdschoutambt Over-Betuwe bleef verdeeld in zes schout- of richterambten (lokale bestuursvormen): Elst, Heteren, Valburg, Bemmel, Gendt en Huissen. Het schoutambt Elst bestond uit de (kerk)dorpen Elst, Elden en Lent en de negen buurschappen. Het schoutambt Heteren omvatte de (kerk)dorpen Heteren, Driel, en Randwijk, de buurschap Lakemond en de heerlijkheid Indoornik. Tot het schoutambt Valburg behoorden de (kerk)dorpen Valburg, Andelst, Herveld, Oosterhout, Slijk-Ewijk en Zetten. Er waren nog twee hoge heerlijkheden: Loenen en Wolferen en Hemmen.

Het Reglement op het beheer der rivierpolders in de provincie Gelderland van 1837 trad 1 januari 1838 in werking. De buurschappen werden omgezet in dorpspolders. Deze publiekrechtelijke lichamen behielden uitsluitend waterstaatstaken. Het buurschapbestuur werd omgezet in een polderbestuur met drie door de kiesgerechtigde geërfden gekozen poldermeesters ( de oude buurmeesters) en een met censuskiesrecht gekozen polderraad. Gekozen geërfden behartigden daarin met de poldermeesters de zaken van de polder. Deze polderraad verving de geërfdenvergadering of -dag. De poldermeesters moesten wel hun begroting en jaarrekening ter goedkeuring voorleggen aan de geërfdenvergadering.  De dorpspolders vielen onder een polderdistrict (het oude ambt) met een dijkstoel dat met het college van hoofdgeërfden het Gecombineerd College vormde. In 1953 gingen de dorpspolders over naar  het polderdistrict om de problemen van de ontwatering te kunnen aanpakken.

De grondwet van 1848 sprak opnieuw van gemeenten en gemeentebesturen en eiste voor gemeenten een wettelijke regeling. De gemeentewet van 1851 naar een ontwerp van mr. J. R. Thorbecke maakte een einde aan de wettelijke verschillen tussen stad en platteland. De gemeente Loenen en Wolferen ging in 1854 en de gemeente Hemmen in 1955 over naar de gemeente Valburg. Een belangrijk element was het censuskiesrecht. Kiesrecht voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraad was uitsluitend voorbehouden aan mannen boven de 23 jaar die voor een bepaald bedrag in de directe belastingen werden aangeslagen. Tien procent van de mannen kreeg kiesrecht. Dat percentage was in 1880 12 en  in 1890 14. Uitbreiding van het kiesrecht in 1896 leidde in 1900 tot 49%, in 1913 tot 65% en in 1916 tot 70% kiesgerechtigde mannen. In 1917 volgde invoering van het algemeen (actief en passief) mannenkiesrecht en actief kiesrecht voor vrouwen. Vrijwel alle volwassen mannen vanaf 24 jaar die konden lezen en schrijven en niet afhankelijk waren van de armenzorg kregen kiesrecht. In 1963 ging de kiesgerechtigde leeftijd omlaag naar 21 jaar en in 1972 naar 18 jaar. Tegelijkertijd met het kiesrecht zonder voorwaarden kwam er voor vrouwen wel passief stemrecht, d.w.z. dat ze wel verkiesbaar waren, maar zelf niet mochten stemmen. In 1918 kwam de eerste vrouw in de Tweede Kamer, namens de SDAP. In 1919 kwam er ook algemeen vrouwenkiesrecht. 

Grenspalen in het talud van de Waaldijk   

De buurschappen, ook die in de Over-Betuwe, zijn als openbare of publiekrechtelijke lichamen in drie fasen ontbonden. De bestuurlijke bevoegdheden gingen in 1798 naar de gemeente, de  rechterlijke in 1811 naar het kantongerecht en de waterstaatkundige in 1953 naar het Polderdistrict Over-Betuwe.

Aan de voormalige dorpspolders en buurschappen herinneren nog grenspalen. Die staan aan de landzijde in het talud van de Waaldijk tussen Oosterhout en Dodewaard en van de Drielse dijk tussen Driel en Elden. Deze witte ijzeren palen markeerden eeuwenoude grenzen tussen de buurschappen/dorpspolders Oosterhout, Slijk-Ewijk, Loenen en Wolferen, Andelst en Dodewaard en Elden en Driel. De palen zijn uniek in de regio en in de uitvoering van ijzer. Ze zijn dan ook van grote cultuurhistorische waarde. De palen langs de Waaldijk hebben de status van rijksmonumenten. De palen zijn witgepleisterde zuilen op lage sokkels met een hoogte van zestig cm. De vierkante grondvorm heeft afgesneden hoeken. De zuil is aan de bovenzijde afgeplat. De vier zijden hebben een trapeziumvormig verdiept veld waarin uitsluitend aan de twee zijden die haaks op de dijk staan de sjabloon geschilderde namen voorkomen: Oosterhout, Slijk-Ewijk, Loenen, Wolferen, Andelst en Dodewaard, Elden en Driel.

-         Brouwer, J. Een Eeuw Elst. Elst, 1984.

-         Brouwer, J. Overbetuwe. Het grondgebied van de huidige gemeente Overbetuwe in de periode 1950 tot 1970. Van wederopbouw naar ontsluiting. Zaltbommel, 2007, 17, 52-53.

-         Buddingh, D. Wandelingen door de Betuwe ter opsporing van Germaansch-Bataafsche en Romeinsche Oudheden 1854-1860. Tiel, 1861/1865.

-         Fockema Andreae, S. J. Uit de Overbetuwe, BMG XXXIX (1936), 13-28-32. In: Handelingen en Levensberichten 1934-1935. Mij. der Ned. Letterkunde te Leiden, 83-98.

-         Heldring, O. G. Wandelingen door de Betuwe ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden. Amsterdam 1838/39.

-         Hol, A. R. De Betuwe. Leiden, 1957.

-         Martens van Sevenhoven, A. H. Een keuze uit zijn geschriften. Arnhem, 1977, nr. 35: Schets van de geschiedenis der burgerlijke gemeenten in Gelderland vóór de invoering der gemeentewet van 1851, 203-257.

-         Mentink, G. J. en J. van Os. Over-Betuwe. Geschiedenis van een polderland, 1327-1977. Zutphen, 1985.

-         Vries, W. de, Bijdragen tot de Geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland, BMG XLVIII (1944) 1-20; XLIX-LX (1965), 73-75. LXII (1965/67) 64-65.

-         Wolf, J. G. C. de, F. J. G. Hoogveld en D. Herberts (red.).  Het dorp Elst en de Elster buurschappen. Een bewoningsgeschiedenis van  J. S. van den Hof. Elst, 2004.


[i] Het Westeraam, school voor vmbo in Elst, heeft bij de naamkeuze onvoldoende oog gehad voor ‘Aam’ als naam van een waterloop. Rivieren krijgen immers  het lidwoord ‘de’: de Aam, de Linge, de Neder-Rijn.

[ii] De Vries, Martens van Sevenhoven, Hol.

[iii] Fockema Andrea schreef al in 1936 over de Overbetuwe in plaats van de Over-Betuwe. De gemeente Overbetuwe in de landstreek de Over-Betuwe bestaat echter pas sinds 2001. Deze fout komt tegenwoordig ook nog veelvuldig voor. Gemeentenamen krijgen echter geen lidwoord, namen van landstreken wel.

[iv] Boven-Betuwe is ook een juiste benaming. Oost- en Midden-Betuwe zijn onjuiste zelfverzonnen benamingen.

[v] Terugblik ‘Niets nieuws onder zon’, Jaarboek Tabula Batavorum, nr. 3 (2002), 26-27.

[vi] Archief Polderdistrict Over-Betuwe, 1400-1837, inv. nr. 3621.

[vii] Brouwer, Een Eeuw Elst, 35-37.

Buurschappen in de Over-Betuwe

Massamedia verwarren geregeld buurtschappen en buurschappen, net als Betuweroute en Betuwelijn. De grote verschillen tussen beide spoorlijnen zijn echter goed zichtbaar. De Betuwelijn is voor personenvervoer, heeft enkel spoor en is in gebruik genomen tussen 1882 en 1885. De Betuweroute is uitsluitend voor goederenvervoer, heeft dubbel spoor en is in gebruik sinds 2007. De Betuwelijn tussen Elst en Dordrecht is 16 juli 1885 geopend, grotendeels niet geëlektrificeerd en 94 km lang. De Betuweroute tussen Rotterdam en Zevenaar met aansluiting op Duitsland is 16 juni 2007 geopend, geëlektrificeerd en heeft een lengte van 160 km. De Betuwelijn slingert rustig door het vlakke Betuwse landschap en is een belangrijke ontsluiting van het rivierengebied. De Betuweroute snijdt de Betuwe in twee gedeelten, beperkt daardoor de ontsluiting en vormt een lelijke en zware aantasting van het fraaie rivierengebied. Wie deze ‘misinvestering van de twintigste eeuw’ abusievelijk Betuwelijn noemt, spreekt vaak ook over buurtschap en gehucht Reeth. Deze verwarring van buurschap met buurtschap door buitenstaanders of leken op dit gebied is begrijpelijk. Niet zichtbaar is immers of een bewoningskern een voormalige buurschap is. Journalisten van de Gelderlander, editie Betuwe, beweren dat het woord buurschap niet meer bestaat. Het komt immers niet voor in de Woordenlijst van de Nederlandse Taalunie. Die lijst is echter slechts een hulpmiddel bij het spellen en geen voorgeschreven lijst van officieel toegelaten woorden. Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal omschrijft buurtschap als enige bij elkaar staande woningen. Een buurtschap is dus wel zichtbaar. Buurschap slaat op betrekkingen tussen buren, buurschap houden op goede omgang met buren. Deze zeer beperkte omschrijving doet geen recht aan een buurschap als een plattelandsorganisatie met waterstaatkundige, bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheden. Buurschap verwijst naar samenwerking van (na)buren  (boeren), de inwoners van een buurschap.

Rond het dorp Elst in de Over-Betuwe lagen tot de tweede helft van de twintigste eeuw negen oude  buurschappen. De gemeente Arnhem annexeerde 1 maart 1966 Elden, Meinerswijk en De Praets en 1 januari 1974 gebied ten zuiden van het dorp Elden. Daaronder vielen het westelijke deel van de buurschap De Laar en het noordelijke deel van de buurschap Rijkerswoerd. De Rijkerswoerdsestraat, de Laarstraat en het verlengde daarvan vormen sindsdien de zuidelijke bebouwingsgrens van Arnhem. Het doel van deze grens is het open landelijke gebied ten zuiden van beide straten te vrijwaren van ongewenste, vooral stedelijke bebouwing. De gemeenten Elst en Heteren moesten 1 januari 1995 bovendien voor de Arnhemse Vinex-woonwijk Schuytgraaf gebied afstaan, waaronder het westelijke deel van De Laar. De gemeenten Elst, Bemmel en Valburg moesten 1 januari 1998 delen van Ressen, Lent en Oosterhout overdragen aan Nijmegen. Die stad wilde beslist ten noorden van de Waal grond voor de fel omstreden Vinex-woonwijk De Waalsprong. De in 1993 vastgestelde Ontwikkelingsvisie voor het Knooppunt Arnhem-Nijmegen hield opheffing in van de Over-Betuwe als open groene buffer tussen Arnhem en Nijmegen. Als compensatie voor de ingrijpende verstedelijking van de Over-Betuwe sinds 1993 dient het regionaal landschapspark Lingezegen, voorheen Over-Betuwe. Twintig jaar later is dit provinciaal verstedelijkingsbeleid zichtbaar grotendeels mislukt en de Over-Betuwe zwaar aangetast.

De bewoningsgeschiedenis van de Over-Betuwe begint in de jonge steentijd (ca. 5000-2000 v. Chr.). Bewoningsmogelijkheden waren door activiteiten van de rivieren beperkt tot  hooggelegen gronden. Omstreeks 50 voor Chr. onderwierpen Bataafse indringers de bewoners in de Rijndelta. Bataven vestigden zich op stroomruggen, oeverwallen en woerden met een bewoningsconcentratie in en rond Elst. Een aantal van deze bewoningscentra ontwikkelde zich tot de kern van tien buurschappen, waaronder Elst. De centrale hoogte in Elst was het Bataafse sacrale centrum. Het centrale openluchtheiligdom op deze plaats lag in het centrum van het Bataafse gebied op een kruispunt van wegen. Deze cultusplaats was ook een offerplaats.

Uit de nevelen van de geschiedenis doemen in schenkingsakten en goederenlijsten de oudste vermeldingen op van Over-Betuwse buurschappen, kerkdorpen en heerlijkheden: 673 Wulfaram (Wolferen); 726 villa Heliste (Elst) of Marithaime; 793 villa Falburc marca (Valburg); 814 Meginhardeswich (Meinerswijk; plaats van Meginhard); 855 Euuci Silec (Eeuwig Slijk of Slijk-Ewijk); 885 Andassale (Andelst); 996 Thrile, later Dreyle (Driel); 1003 Reinwigh (Rijnwijk, Randwijk); tiende eeuw Herveld; 1005 Sethone (Zetten), elfde eeuw Lona (Loenen); eind elfde eeuw Ostreholt (Oosterhout); 1172 Lent, 1188 Hemmen en 1232 Insula de Hetere (Heteren). Villa was de aanduiding voor buurschap of hof. Vóór 1250 waren in de Over-Betuwe vrijwel alle buurschappen ontstaan. 

Elst met buurschappen

Het kerspel of kerkdorp Elst is ontstaan uit de buurschap Elsterdorpsbuurt. De dorpskern lag op een kruising van wegen bij de Bataafse cultusplaats, later de kerk met een kerkhof en enkele gebouwen. Om de Elsterbuurt lagen de buurschappen De Laar, Rijkerswoerd, Aam, Bredelaar, Merm, Reeth, Eimeren, Lienden en Hollanderbroek. De Laar dankt de naam aan veel broekland; Rijkerswoerd aan de naam van een persoon (de woerd van Rijk, Rijkers of Riekers); Aam aan de waterloop de Aam[i]; Bredelaar aan de brede verkaveling-strook voor ontginning; Merm aan het landgoed Marithaime dat Kartel Martel (714-741) 9 juni 726 schonk aan bisschop Willibrord of een nabijgelegen meer; Reeth aan rijden of rijweg; Eimeren ook aan een meer of meren (heim, huis aan meren); Lienden aan het geslacht Van Lynden en Hollanderbroek aan door Hollanders ontgonnen broekland. Hollanderbroek was na de ontginning de grootste buurschap. Die lag tussen de Laarse zeeg ten oosten van de Grote Molenstraat en de Langstraat, de Dorpsstraat en het Vlot. De Laar bestond slechts uit drie boerderijen. Ook Bredelaar en Merm waren kleine buurschappen met enkele boerderijen. De bevolkingsaantallen in omliggende buurschappen schommelden tussen enkele tientallen en tweehonderdvijftig.  Het kerkje in Elst was toegewijd aan St. Maarten. Werenfried predikte op de stroomruggen tussen Elst en Westervoort. Elst viel onder het bisdom Utrecht. 

Openbare lichamen 

Buurschappen vormden economisch en staatsrechtelijk de grondslag van de middeleeuwse samenleving. Ze bleven na de middeleeuwen nog een viertal eeuwen bestaan. Deze buurschappen op hooggelegen stroomruggen, oeverwallen en woerden zijn de oudste vormen van (plattelands)organisatie van de samenleving. Op de Veluwe heten ze maalschappen en in Drenthe en Twente marken. De wordingsgeschiedenis van buurschappen is historisch niet na te gaan door het ontbreken van schriftelijke bronnen. Duidelijk is wel dat buurschappen zich hebben ontwikkeld uit de oudste agrarische nederzettingen. De Vries meent dat buurschappen en burenraden met burenrichters van Germaanse oorsprong zijn. Sommige buurschappen zijn ontstaan uit het Frankische hofstelsel als voortzetting van een hof, curtis (hoofdhof) met bijbehorende villa.[ii] In het hofstelsel verdeelde de leenman zijn leengoed in hoven die anderen (hofheer, villicus, meier) voor hem exploiteerden. Omliggende landerijen mochten zijn ondergeschikten voor zichzelf bewerken. In ruil daarvoor moesten die het hofland of saalgoed voor de leenman bewerken en een deel van de opbrengst van hun landerijen afstaan; vaak 10%. Met dit tiendrecht bond de leenman zijn ondergeschikten aan zijn hof. Deze belangrijke grote boerderijen met bijbehorende grond behoorden vaak aan de landsheer, vrijheer of geestelijke instelling. Een andere ontstaansgrond van buurschappen was ontginning, bijvoorbeeld de buurschap Hollanderbroek bij Elst.[iii] Ontginning was overigens ook van groot belang voor uitbreiding van buurschappen, vooral van de buurschappen De Laar, Rijkerswoerd en Bredelaar.

Buurschappen bestonden uit boerderijen (bouwhoven), hofsteden (kleine boerderijen) en daglonerhuisjes. Soms maakte een klooster deel uit van een buurschap zoals het St. Elisabethklooster in Eimeren. Het was in 1493 door brand zwaar beschadigd en in 1588 verwoest. Elst en omgeving waren in dat laatste jaar verbrand door stropende Spaanse soldaten. Een verhoging in het terrein bij de boerderij  ‘’t Klooster’ herinnert nog aan het verdwenen kloostergebouw. In Rijkerswoerd stond omstreeks 1470 een aan de H. Maagd gewijde buurschapkapel. In 1588 vertrokken de laatste nonnen naar het klooster in Huissen. De naburen gebruikten de Mariakapel tot 1812 als buurhuis.

De bewoners van een middeleeuws buurschap of boerengemeenschap behoorden tot verschillende groepen. De edelman of landsheer woonde meestal buiten de buurschap op zijn landgoed, de havezate (grote boerderij, hof, hofstede, hoeve). De eigengeërfde, eigenerfde of vrije boeren waren eigenaar van hun boerderij met (bouw)gronden. Deze vaak grote boeren hadden bovendien waardelen (aandelen) in een buur- of boermarke, het gemeenschappelijk begrensd en onverdeeld bezit van een buurschap. Dat gebied was gezamenlijk eigendom van de eigenerfde boeren in de buurschap. Die hadden elk een vastgesteld aandeel of waardeel in de marke. De hoeveelheid waardelen die iemand bezat, bepaalde hoeveel macht hij had in de boermarke. Vrije boeren konden gebruikmaken van gemeenschappelijke gronden (broek, weiland (ment(e), meent(e), meint(e)) en bouwland (eng) buiten de kern van de buurschap, de buurmarke. De bewoners van de marke, de markengenoten, hadden ook rechten. Zij mochten daar  een aantal stuks vee laten grazen, een bepaalde hoeveelheid hout sprokkelen of turf steken. Zij hadden de eigenerfde boeren gemachtigd de marke te besturen. Wellicht hadden die vrije boeren die gronden eerst onder hun macht gebracht. Aan het hoofd van de markenorganisatie stond de markenrichter. Eigenerfde boeren die in het bezit waren van een paard, harnas en steek- of slagwapens waren weerboeren. Zij konden opstijgen in de rangen van de lage adel tot ridder (ruiter). Kleine zelfstandige boeren (keuterboeren) hadden wel een eigen boerderij met erf maar bezaten minder dan een kwart waardeel. Pachtboeren of meiers bewoonden een erf dat eigendom was van een ander (edelman, eigengeërfde, kerk, klooster). Landarbeiders waren in dienst van een eigenerfde of een keuterboer. Zij woonden vaak in een huisje met grote moestuin bij de boerderij. Ook geestelijken van een parochie, klooster of kerk konden in de buurschap wonen. Buurschappen waren gewoonlijk te bereiken over smalle paden begrensd door een sloot aan de ene zijde en diepe karrensporen aan de andere zijde. Houten bruggen waren gebouwd over pijpen en (wat grotere) zegen of afwateringssloten.

Buiten de buur- of boermarke lag onontgonnen gebied dat vooral bestond uit komgronden. Het woord ‘laar‘ of ‘laer’ in de buurschappen De Laar en Bredelaar betekent onbebouwde woeste grond, broekland, moerassig land of open plaats in een bos; vooral kreupelbos. Het ontginningsgebied strekte zich in De Laar uit van de huidige Laarstraat naar de Elderwal (Kroonse wal) en van de Griftdijk tot de Grote Molenstraat. Doel van de ontginning was het winnen van weiden voor de veeteelt. Deze in 1879 door de spoorlijn Arnhem-Elst doorsneden buurschap bestond slechts uit drie boerderijen: de Voorste, Middelste en Achterste Laar. Die stonden op de oost-west gerichte rug van vruchtbare moor- of moergrond van waaruit de ontginning plaatsvond. Deze rug strekte zich uit tot in de buurschap Rijkerswoerd. Die buurschap bestond uit de hooggelegen Hoge Woerd ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat; het laaggelegen Broek tussen die straat en de Rijn- en Waalwetering (Linge); en het Polderke ten zuiden van de Waalwetering en ten oosten van de oude Griftdijk. Bewoning was slechts mogelijk in het Polderke en ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat op de hooggelegen woerd. Die heette in de veertiende eeuw ‘het Hoog’ en lag op de rug van moergrond. In het waterrijke Broek was geen bewoning mogelijk. Ontginning vond plaats vanuit de woerd en de hoge rug. Aan beide einden van de huidige Kerkstraat lagen gronden die gemeenschappelijk bezit van de buurschap waren: in het noorden de Gemeinte en in het zuiden bij de Linge de weide het Gemeint. De ontginning door Hollanders van de buurschap Hollanderbroek is duidelijk zichtbaar in het gebied tussen de Hollanderbroeksestraat en de Langstraat in Lienden. Het Hollandse systeem van ontwatering van de broeklanden bestond uit het volgens een vast plan op regelmatige afstand graven van evenwijdige sloten.

In de Over-Betuwe was de buurschap de typische nederzettingsvorm. Die bestond uit bij elkaar liggende boerderijen met bijbehorend bouwland al dan niet met een gezamenlijk veld met bos als achterland. Deze buurschappen waren autonome openbare lichamen met bestuursvormen voor waterstaatszaken, zelfbestuur en rechtspraak. Ze regelden waterkering en –lossing met opgeworpen wallen en een ontwateringstelsel van pijpen, zegen en weteringen. Ze zorgden voor ophoging van hun woonplaatsen en onderhoud van paden en wegen. Buurschappen bouwden in de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw in de ‘landstreek Batua’ dijken en groeven in 1244 een centraal afwateringskanaal; waarschijnlijk onder gezag van de graaf van Gelre. Die was sinds de dertiende eeuw de grootste grondbezitter in deze landstreek. Dit afwateringskanaal bestond uit de smalle noordelijke Rijnwetering en de brede zuidelijke Waalwetering gescheiden door een aarden wal, de ‘Wetteringsewal’. 

Het Lingekanaal voert water af naar de Linge, een zijrivier van de Waal, die uitmondt in de Merwede bij Gorinchem. Het afwateringskanaal is een samenraapsel van natuurlijke rivierlopen en gegraven weteringen dat in verbinding staat met een ingewikkeld stelsel van watergangen. Daartoe behoorden tocht- of leigraven (geleide gegraven waterloop), pijpen, zegen en sloten. Buurschappen zorgden voor het onderhoud. Het kanaal kreeg zijn huidige breedte in 1951/52 bij een grootschalige verbetering van de waterafvoer. Die bestond uit het afsnijden van bochten, uitdiepen van het waterbed, opruimen van de dam en de bouw van acht stuwbruggen. De inlaat bij Doornenburg, het  mr. G. J. H. Kuijk-hulpgemaal (1953) in Lakemond en het dr. G. Kolffgemaal (1945) in Neder-Hardinxveld dragen bij tot behoud van een hoog waterpeil in het kanaal. Dat is noodzakelijk voor de Over-Betuwse bodemcultuur.

Een buurschap was, zoals vermeld, het laagste openbare bestuursorgaan en de laagste autonome rechtskring. Naast een vorm van zelfbestuur en rechtspraak had de buurschap een collectieve waterstaatstaak. Die omvatte de zorg voor wallen, dijken, wegen, pijpen en zegen (waterafvoerende sloten). Grondeigenaren hadden zich verenigd ter behartiging van gemeenschappelijke belangen, vooral waterstaatszorg, veiligheid en orde (rechtspraak) en bestuur. De geërfden vergaderden in de geërfdenvergadering of –dag en met de andere buren in burenraden op de buursprake of ommestand. De buren maakten daar afspraken of zorgden voor ‘wetgeving’. Twee gekozen buur- of boermeesters vormden het dagelijks bestuur van de buurschap. Zij hadden uitvoerende macht voor voornamelijk waterstaatszorg en burgerlijk bestuur. Deze buurmeesters vertegenwoordigden de geërfde grondbezitters en het gemene volk dat gebruik maakte van gemene gronden (gemeenschappelijk bezit van de buurschap). Burenrichters voerden besluiten van het op mondelinge tradities gebaseerde buurschapsgericht over rechtspraak uit.  Sommige buurschappen ontwikkelden zich sinds de twaalfde eeuw tot een kerspel (karspel) of kerkdorp (kerkgemeente, parochie), vaak met een kerk en een school. Soms omvatte een kerspel verscheidene buurschappen, zoals Elst. Kerspels maakten deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom, zoals Elst, Elden en Lent. De inwoners heetten kerspellieden. Door hen gekozen buurmeesters hadden waterstaatstaken en bestuurden het kerspel, vaak met het kerkbestuur. Een kerspelrichter sprak recht. 

Centralisatie

Kenmerken van de late middeleeuwen (1250 tot 1500) waren  opkomst van nationale eenheidsstaten; een begin van centralisatie van bestuur; toenemende verstedelijking en handel; heropleving van de geldhandel; economische crises en hongersnoden; afbrokkeling van het feodale stelsel en daarmee van de macht van de adel. Andere kenmerken waren de reformatie, het humanisme, de renaissance en strijd tussen kerk en staat. In verschillende gebieden vestigde zich een al dan niet sterk centraal gezag. Die centralisatie betekende een beperking van het gezag van lokale buurmeesters en gerichtslieden. Noodzakelijk was een centrale regeling voor onder andere dijkwezen, waterafvoer en rechtspraak. De macht van graven en hertogen nam toe. Een groot deel van het gebied tussen Rijn en Waal was bezit van de graven van Gelre.

Van 1327 tot in de negentiende eeuw kende de Over-Betuwe drie (betrekkelijk) autonome bestuurscolleges: buurschap, kerspel en ambt. Reinoud (Reinald) II de Zwarte (ca. 1295-1343) was van 1326 tot 1339 graaf.  Keizer Lodewijk de Beier verhief hem in 1339 tot hertog (van Gelre). In 1327 maakte landsheer Reinoud een einde aan de gouw Batua, Batue of Betuwe als één bestuursonderdeel. In zijn land- en dijkbrief van 11 december 1327 introduceerde hij een bestuurlijke indeling met gecentraliseerde bevoegdheden voor burgerlijk bestuur, waterstaatszaken en rechtspraak. Hij verdeelde het gebied tussen de Neder-Rijn en de Waal in de ambten Over-Betuwe[iv], Neder-Betuwe en de met de Bommelerwaard verbonden Tielerwaard. De Tielerwaard behoorde in de middeleeuwen bij het graafschap Teisterbant. Reinoud legde het ambt als een deken over de kerspels en buurschappen.

De ambtman vertegenwoordigde in het ambt de soeverein en behartigde diens belangen. Gecentraliseerde bevoegdheden voor bestuur, waterstaatszaken en vooral rechtspraak waren in zijn functie verenigd. Hij had voornamelijk uitvoerende macht en leidde de colleges voor burgerlijk bestuur, waterstaatszorg en rechtspraak. Hoofdambtenaren waren de secretaris of landschrijver, de gericht- of dijkschrijver en de land- of dijkbode of dijkschout. De ambtman was de hoogste bestuursambtenaar die later in het ambtsbestuur hulp kreeg van ambtsjonkers, leden van de Over-Betuwse ridderschap of landadel. Hij vormde als dijkgraaf met vijf heemraden de dijkstoel, het dagelijks bestuur van het waterstaatsbestuur. Als dijkgraaf moest hij zorgen voor het onderhoud van de dijken en de waterlossing en toezicht houden op het onderhoud van wegen. Hij was bovendien richter (rechter) en fungeerde als openbaar aanklager en voorzitter van de rechtbank. Hij had hulp van vier richters (deurwaarders of peynders), de latere schouten. De ambtman-richter-dijkgraaf zetelde in Andelst, Valburg of Elst. Vergaderingen waren in Elst en Bemmel, sinds de achttiende eeuw alleen in Elst. Tweemaal waren er gewone gerichtsdagen voor het bespreken van zaken van het ambt. De ambtman besprak deze met leden van de ridderschap die daarvoor in aanmerking kwamen en twee stedelijke afgevaardigden. Er werd ook recht gesproken. Er waren twee gerichts- of rechtbanken. De rechtbank in Andelst ging in 1446 naar Valburg en in 1686 naar Elst. De oorspronkelijk Kleefse rechtbank in Ressen ging in 1611 naar Bemmel en in 1721 naar in het 1694 aangekochte huis voor het Ambtshuis in Elst. Deze rechtbanken met gerichtsluiden in schoutambten namen criminele rechtspraak over van de buurschapsgerichten.  

Een verdachte kon soms gebruikmaken van het recht van appèl. Hoger beroep was mogelijk bij de zogenaamde klaring of klaarbank, die de landsheer of diens plaatsvervanger voorzat. Klaring voor de Over-Betuwe vond plaats op de Praets in de heerlijkheid Meinerswijk. Klaren betekent rechtspreken in hoger beroep. De klaarbank van Over-Betuwe op de Praets te Meinerswijk werd in 1383 het hemael of heymael  genoemd. De klaarbank kwam uitsluitend bijeen als er beroepszaken waren. Aanwezig in de Praets waren de landvorst of diens zaakgelastigde en  afgevaardigden van de ridderschap en steden, onder wie twee schepenen van Arnhem. De uitspraken van de klaarbank waren bindend. De zittingen werden gehouden op een weide op een oeverwal of in een herberg nabij het veer. In 1668 was de laatste zitting op de Praets. De Gelderse Landdag of de Staten van Gelre en Zutphen bepaalde in 1676 dat beroep uitsluitend mogelijk was bij het Hof van Gelre en Zutphen.[v]

De rechtspraak in het ambt had een onderverdeling in pander- (peijnder-) of schout (schol)ambten (combinatie van kerspels) en die later in onderschoutambten (kerkdorp). Aan het hoofd van het schoutambt stond de ambtsschout (sculetus, schult, scholt, scholtus). Hij vertegenwoordigde op lokaal niveau (kerspels) de ambtman. De ambtsschout fungeerde als deurwaarder (peynder) en richter en had de zorg voor de openbare orde. Hij sprak recht in minder belangrijke zaken, bijgestaan door de gerichtsnaburen (soort gemeenteraad), gerichtsluiden of eigenerfde boeren, de latere schepenen. De ambtsschout was met de twee buurmeesters in een dorp verantwoordelijk voor lokale voorzieningen. Er waren meer door de landsheer benoemde functionarissen, onder wie de borgemeester die als beheerder van de dorpsfinanciën met zijn persoonlijk vermogen borg stond voor lokale tekorten. Schout en schepenen zorgden voor bestuur, ordehandhaving en rechtspraak. Zij waren doorgaans een onderdeel van een grotere bestuursstructuur, zoals het drostambt. De ontwikkeling van een dorp begon overigens pas in de negentiende eeuw.

De autonome buurschappen kregen na 1327 ook medebewindstaken opgelegd. Er trad uiteraard een zekere spanning op tussen autonomie en medebewind. Medebewindstaken waren onder meer het meewerken aan aanslag en inning van belastingen, inkwartiering van soldaten en in tijd van nood oproepen van weerbare manschappen voor de dijkbewaking en –versterking (klokkenslag). Tot deze taken behoorden ook het onderhoud van dorpsstraten, zorg voor de Elster paardenmarkt en een subsidie voor de vroedvrouw. Buurmeesters moesten jaarlijks in handen van de ambtman de eed afleggen dat zij hun kerspels en buurwerken op de minst kostbare wijze zouden doen maken en onderhouden.[vi] Van 1684 tot 1838 moest een buurschap de twee buurmeesters kiezen uit een voordracht van de ambtman. Buurmeesters werden geleidelijk functionarissen van de schout, ambtman of landsheer. De waterstaatstaak was de belangrijkste. De land- en dijkbrief van 1383 bepaalde dat een buurschap of kerspel verantwoordelijk was voor verlaten dijkvakken. In de buurschappen hieven de twee buurmeesters dorpslasten. Daar functioneerden dus twee buurmeesters en soms ook een schout. De Landsbrieven van 1445 en 1493 spraken over twee buurmeesters per buurschap of kerspel met een bode.

Het Ambt Over-Betuwe bestond uit vijf schoutambten: Heteren, Valburg, Elst, Bemmel en Herwen en Aerdt (tot 1818). Onder het schoutambt Bemmel vielen Bemmel, Angeren en Doornenburg. Het schoutambt Heteren omvatte de kerkdorpen Heteren, Driel en Randwijk en de buurschap Lakemond. Onder het schoutambt Valburg vielen de kerkdorpen Andelst, Herveld, Oosterhout, Slijk-Ewijk, Valburg en Zetten. Het schoutambt Elst bestond uit de kerkdorpen Elst, Elden en Lent en de negen buurschappen. Dit schoutambt reikte dus van de Neder-Rijn tot de Waal. Stedelijke expansie zou hieraan in 1966 en 1998 een einde maken. De indeling in schoutambten heeft zich op hoofdlijnen eeuwenlang kunnen handhaven. Het schoutambt was een lokale bestuursvorm uit de periode van het oude bestuur tussen het einde van de middeleeuwen (ca. 1500) en de Franse tijd (1795).

Enclaves in het rechtsgebied van de ambtman waren de hoge heerlijkheden Loenen en Wolferen, Hemmen, Homoet, Indoornik, Pannerden, Hulhuizen, Meinerswijk (Praets). Gendt, Ressen en Doornik. Deze zelfstandige rechtsgebieden van een kleine landsheer of vrijheer hadden eigen bestuur en rechtspraak. Natuurlijk was de heer de belangrijkste en vaak de enige geërfde. Loenen en Wolferen en Indoornik waren lenen van de graaf van Kleve. Ook Huissen, Hulhuizen en Malburgen waren Kleefse enclaves. Homoet was van 1347 tot 1486 een leen van de heren van Homoet en na 1488 van graaf Van de Berg, heer van ’s-Heerenberg. Hemmen behoorde al in 1390 aan de adellijke familie Van Lynden.  Het buurbestuur met onder anderen buurmeesters viel in die heerlijkheden samen met het ambtsbestuur. De gerichtsbank was aangesteld door de heer. Als ambtman had hij enige en als dijkgraaf grote invloed.

Sinds de 14de eeuw bestond het Hertogdom Gelre uit vier kwartieren: het kwartier van Zutphen;  Veluwe (Arnhem); Nijmegen met het plattelandsgebied tussen de Rijn en de Waal; en het Overkwartier van Gelre (Gelder; Roermond) met omliggend land. Deze kwartieren zonden hun vertegenwoordigers naar de Staten van de Kwartieren. Een college van gedeputeerden droeg zorg voor de afwikkeling van zaken die een kwartier betroffen. Een schout die onder meer hulpofficier van justitie was, moest op de naleving van wetten letten en misdadigers voor voor het gerecht brengen. Hij was ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de wegen tussen verschillende dorpen in zijn schoutambt Daarvoor kon hij inwoners oproepen om mankracht te leveren. In elk kerkdorp was meestal een onderschout. Eens per jaar was er een landgericht in het schoutambt over civiele kwesties die in de dorpen leefden. Voor zware overtredingen was er de rechtbank van het ambt en voor misdrijven sinds 1544 het Hof van Gelre en Zutphen. De Staten van de Kwartieren vormden met stemhebbende steden en de ridderschappen de Staten van Gelre en Zutphen, het hoogste bestuursorgaan van Gelre. 

Van de basis naar de top liep de lijn van buurschap (buurmeesters) – kerkdorp (buurmeesters) - schoutambt (schout) – ambt (ambtman) – kwartier (staten) naar hertogdom (hertog).

Het Kwartier van Nijmegen bestond uit de steden Nijmegen, Gendt, Tiel en Zaltbommel en het platteland dat verdeeld was in zeven ambten met een Ambtsbestuur.  Die ambten waren Rijk van Nijmegen, Maas en Waal, Over-Betuwe, Neder-Betuwe, Tieler- en Bommelerwaard en Beesd en Rhenooi. De Over-Betuwe kreeg omstreeks 1650 een eigen dijkgraaf. Het bestuur van het Nijmeegse kwartier bestond na de middeleeuwen uit afgevaardigden van steden en ridderschap.

Op basis van de land- en dijkbrief van 1445 verschenen in de ambtsvergadering van de Over-Betuwe drie Over-Betuwse ambtsjonkers (edelen uit het ambt) en twee stedengezanten: een uit Arnhem en een uit Nijmegen. Die gezanten moesten in hun stad schepen of raadslid zijn en twintig morgen land in de Over-Betuwe bezitten. Zij moesten stedelijke belangen behartigen en konden ook een heemraadplaats innemen. Omstreeks 1532 kregen de ambtsjonkers belangrijke bestuurstaken als leden van het landgericht. In 1579 worden zij ook betrokken bij het vaststellen van de aanslagen voor de personele belasting. In de Bataafse Republiek verliezen de ambtsjonkers in 1795 hun functie.

Kenmerkend voor het oude bestuur was de geringe politieke invloed van de opkomende burger, ambachtsman en arbeider. Daartegenover stond de te grote invloed van adel en hoge geestelijkheid. Op het platteland bestond een grote tegenstelling tussen boeren en grootgrondbezitters. Een feodaal dorpsheer kon wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht uitoefenen.

In 1588 namen de Staten van Gelre de plaats in van de landsheer. De Gelderse Staten benoemden voortaan de ambtman. In die Staten van Gelre zaten afgevaardigden van het platteland en de stemhebbende steden.

Tijdens de Bataafs-Franse tijd van 1795 tot 1813 introduceerde de Staatsregeling van 4 mei 1798 acht departementen en lokale besturen. De regeling introduceerde ook het begrip municipaliteit (gemeentebestuur in plaats van ambt) en sprak over gemeenten in staatkundige zin. De ambtman verloor zijn rechterlijke macht. De Staatsregeling van 1801 bracht een nieuwe departementale indeling van de Bataafse Republiek. De inlijving bij het Keizerrijk van Napoleon van 1811 tot 1813 bracht de Franse bestuursindeling met departementen, arrondissementen, kantons en mairies. Een mairie (gemeente) stond onder leiding van een maire (burgemeester) en viel in de Over-Betuwe samen met een schoutambt.  De mairie Heteren behoorde tot het kanton Elst, arrondissement Tiel en departement Boven-IJssel. Deze mairie omvatte Driel (633 inwoners), Heteren (454), Homoet (116) en Indoornik (115). Lakemond en Randwijk (406) vielen onder de mairie Hemmen. Onder de mairie Elst vielen de kerkdorpen Elst, Elden, Lent,  de negen buurschappen rond Elst en Meinerswijk (45). In 1808 telde de gemeente Elst 2971 inwoners: Elst 563, Elden 525, Lent 843, De Laar 26, Rijkerswoerd 109, Aam 128, Bredelaar 36, Merm 28, Reeth 134, Eimeren 84, Lienden 252 en Hollanderbroek 243. Valburg had 500 inwoners, Andelst 336, Zetten 325, Slijk-Ewijk 290, Loenen 91 en Wolferen 14.[vii] 

In 1811 verloor de buurschap haar rechterlijke bevoegdheden aan het kantongerecht bij de scheiding van burgerlijk bestuur, rechtspraak en waterbeheer/waterschapsbestuur. Heerlijkheden gingen op in een gemeente. De ambtman verloor zijn bestuurstaken en was alleen nog dijkgraaf.

Koning Willem I vaardigde bij Koninklijk Besluit van 11 februari 1817 het Reglement voor het platteland van Gelderland uit. Dat trad 1 januari 1818 in werking en bracht onder meer de dijkgraaf met het college van hoofdingelanden. De titel van burgemeester kwam in de plaats van die van de schout. De Kleefs-Pruisische enclave Huissen kwam in 1816 bij Nederland. Herwen en Aerdt ging in 1818 naar het kanton Zevenaar. Het Ambt Over-Betuwe was vervangen door het hoofdschoutambt, de ambtman door de hoofdschout die vooral dijkgraaf was en de maire door de schout of burgemeester. Het drost- of hoofdschoutambt Over-Betuwe bleef verdeeld in zes schout- of richterambten (lokale bestuursvormen): Elst, Heteren, Valburg, Bemmel, Gendt en Huissen. Het schoutambt Elst bestond uit de (kerk)dorpen Elst, Elden en Lent en de negen buurschappen. Het schoutambt Heteren omvatte de (kerk)dorpen Heteren, Driel, en Randwijk, de buurschap Lakemond en de heerlijkheid Indoornik. Tot het schoutambt Valburg behoorden de (kerk)dorpen Valburg, Andelst, Herveld, Oosterhout, Slijk-Ewijk en Zetten. Er waren nog twee hoge heerlijkheden: Loenen en Wolferen en Hemmen.

Het Reglement op het beheer der rivierpolders in de provincie Gelderland van 1837 trad 1 januari 1838 in werking. De buurschappen werden omgezet in dorpspolders. Deze publiekrechtelijke lichamen behielden uitsluitend waterstaatstaken. Het buurschapbestuur werd omgezet in een polderbestuur met drie door de kiesgerechtigde geërfden gekozen poldermeesters ( de oude buurmeesters) en een met censuskiesrecht gekozen polderraad. Gekozen geërfden behartigden daarin met de poldermeesters de zaken van de polder. Deze polderraad verving de geërfdenvergadering of -dag. De poldermeesters moesten wel hun begroting en jaarrekening ter goedkeuring voorleggen aan de geërfdenvergadering.  De dorpspolders vielen onder een polderdistrict (het oude ambt) met een dijkstoel dat met het college van hoofdgeërfden het Gecombineerd College vormde. In 1953 gingen de dorpspolders over naar  het polderdistrict om de problemen van de ontwatering te kunnen aanpakken.

De grondwet van 1848 sprak opnieuw van gemeenten en gemeentebesturen en eiste voor gemeenten een wettelijke regeling. De gemeentewet van 1851 naar een ontwerp van mr. J. R. Thorbecke maakte een einde aan de wettelijke verschillen tussen stad en platteland. De gemeente Loenen en Wolferen ging in 1854 en de gemeente Hemmen in 1955 over naar de gemeente Valburg. Een belangrijk element was het censuskiesrecht. Kiesrecht voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraad was uitsluitend voorbehouden aan mannen boven de 23 jaar die voor een bepaald bedrag in de directe belastingen werden aangeslagen. Tien procent van de mannen kreeg kiesrecht. Dat percentage was in 1880 12 en  in 1890 14. Uitbreiding van het kiesrecht in 1896 leidde in 1900 tot 49%, in 1913 tot 65% en in 1916 tot 70% kiesgerechtigde mannen. In 1917 volgde invoering van het algemeen (actief en passief) mannenkiesrecht en actief kiesrecht voor vrouwen. Vrijwel alle volwassen mannen vanaf 24 jaar die konden lezen en schrijven en niet afhankelijk waren van de armenzorg kregen kiesrecht. In 1963 ging de kiesgerechtigde leeftijd omlaag naar 21 jaar en in 1972 naar 18 jaar. Tegelijkertijd met het kiesrecht zonder voorwaarden kwam er voor vrouwen wel passief stemrecht, d.w.z. dat ze wel verkiesbaar waren, maar zelf niet mochten stemmen. In 1918 kwam de eerste vrouw in de Tweede Kamer, namens de SDAP. In 1919 kwam er ook algemeen vrouwenkiesrecht. 

Grenspalen in het talud van de Waaldijk   

De buurschappen, ook die in de Over-Betuwe, zijn als openbare of publiekrechtelijke lichamen in drie fasen ontbonden. De bestuurlijke bevoegdheden gingen in 1798 naar de gemeente, de  rechterlijke in 1811 naar het kantongerecht en de waterstaatkundige in 1953 naar het Polderdistrict Over-Betuwe.

Aan de voormalige dorpspolders en buurschappen herinneren nog grenspalen. Die staan aan de landzijde in het talud van de Waaldijk tussen Oosterhout en Dodewaard en van de Drielse dijk tussen Driel en Elden. Deze witte ijzeren palen markeerden eeuwenoude grenzen tussen de buurschappen/dorpspolders Oosterhout, Slijk-Ewijk, Loenen en Wolferen, Andelst en Dodewaard en Elden en Driel. De palen zijn uniek in de regio en in de uitvoering van ijzer. Ze zijn dan ook van grote cultuurhistorische waarde. De palen langs de Waaldijk hebben de status van rijksmonumenten. De palen zijn witgepleisterde zuilen op lage sokkels met een hoogte van zestig cm. De vierkante grondvorm heeft afgesneden hoeken. De zuil is aan de bovenzijde afgeplat. De vier zijden hebben een trapeziumvormig verdiept veld waarin uitsluitend aan de twee zijden die haaks op de dijk staan de sjabloon geschilderde namen voorkomen: Oosterhout, Slijk-Ewijk, Loenen, Wolferen, Andelst en Dodewaard, Elden en Driel.

-         Brouwer, J. Een Eeuw Elst. Elst, 1984.

-         Brouwer, J. Overbetuwe. Het grondgebied van de huidige gemeente Overbetuwe in de periode 1950 tot 1970. Van wederopbouw naar ontsluiting. Zaltbommel, 2007, 17, 52-53.

-         Buddingh, D. Wandelingen door de Betuwe ter opsporing van Germaansch-Bataafsche en Romeinsche Oudheden 1854-1860. Tiel, 1861/1865.

-         Fockema Andreae, S. J. Uit de Overbetuwe, BMG XXXIX (1936), 13-28-32. In: Handelingen en Levensberichten 1934-1935. Mij. der Ned. Letterkunde te Leiden, 83-98.

-         Heldring, O. G. Wandelingen door de Betuwe ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden. Amsterdam 1838/39.

-         Hol, A. R. De Betuwe. Leiden, 1957.

-         Martens van Sevenhoven, A. H. Een keuze uit zijn geschriften. Arnhem, 1977, nr. 35: Schets van de geschiedenis der burgerlijke gemeenten in Gelderland vóór de invoering der gemeentewet van 1851, 203-257.

-         Mentink, G. J. en J. van Os. Over-Betuwe. Geschiedenis van een polderland, 1327-1977. Zutphen, 1985.

-         Vries, W. de, Bijdragen tot de Geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland, BMG XLVIII (1944) 1-20; XLIX-LX (1965), 73-75. LXII (1965/67) 64-65.

-         Wolf, J. G. C. de, F. J. G. Hoogveld en D. Herberts (red.).  Het dorp Elst en de Elster buurschappen. Een bewoningsgeschiedenis van  J. S. van den Hof. Elst, 2004.


[i] Het Westeraam, school voor vmbo in Elst, heeft bij de naamkeuze onvoldoende oog gehad voor ‘Aam’ als naam van een waterloop. Rivieren krijgen immers  het lidwoord ‘de’: de Aam, de Linge, de Neder-Rijn.

[ii] De Vries, Martens van Sevenhoven, Hol.

[iii] Fockema Andrea schreef al in 1936 over de Overbetuwe in plaats van de Over-Betuwe. De gemeente Overbetuwe in de landstreek de Over-Betuwe bestaat echter pas sinds 2001. Deze fout komt tegenwoordig ook nog veelvuldig voor. Gemeentenamen krijgen echter geen lidwoord, namen van landstreken wel.

[iv] Boven-Betuwe is ook een juiste benaming. Oost- en Midden-Betuwe zijn onjuiste zelfverzonnen benamingen.

[v] Terugblik ‘Niets nieuws onder zon’, Jaarboek Tabula Batavorum, nr. 3 (2002), 26-27.

[vi] Archief Polderdistrict Over-Betuwe, 1400-1837, inv. nr. 3621.

[vii] Brouwer, Een Eeuw Elst, 35-37.