Arnhem houdt zich nog steeds niet aan afspraken over bebouwingsgrens en bestemming.

Opmerkelijk is dat Arnhem en Nijmegen zich nog steeds niet houden aan gemaakte afspraken bij de herindeling. In 1998 droeg de gemeente Elst het dorp Lent en omgeving over aan de gemeente Nijmegen voor ontwikkeling van de Vinex- of woningbouwlocatie De Waalsprong. Nijmegen beschouwt en behandelt het overgedragen gebied echter niet als woonwijk, maar als stadsdeel. Die gemeente gebruikt het gebied dan ook voor andere bestemmingen dan woningbouw, bijvoorbeeld voor bedrijfsvestigingen. 

Arnhem blijft een onbetrouwbare buurgemeente. De overdracht van gebied voor de Arnhemse Vinex-locatie had betrekking op de Spoorsprong (later: Schuytgraaf). Aangezien die locatie niet tot het grondgebied van Arnhem behoorde, was door de provincie opdracht gegeven aan de gemeenten Arnhem, Elst en Heteren om een convenant te sluiten ter uitvoering van de Ontwikkelingsvisie KAN (1993). Een belangrijk onderdeel van dit convenant heeft betrekking op een grenscorrectie voor de realisatie van deze woningbouwtaakstelling. De gemeenten Arnhem, Elst en Heteren sloten op 1 november 1993 een convenant over overdracht van gebied ten westen van de spoorlijn Arnhem-Elst aan Arnhem. Dit gebied werd aangeduid als de Spoorsprong en bestond uit Driel-Oost en het westelijke deel van de Elster buurschap De Laar. Dit convenant is een formele overeenkomst die valt onder de regels van het overeenkomstenrecht. Op 29 oktober 1993 bereikten de gemeenten Arnhem, Elst en Heteren overeenstemming over de overdracht aan Arnhem van de locatie Driel-Oost (thans Schuytgraaf). Ook over de voorwaarden waaronder deze overdracht zou plaatsvinden. Deze overeenkomst met kaart en afspraken is 1 november 1993 formeel vastgelegd in een convenant. Dat convenant is, zoals vereist, diezelfde dag bij brief aan Gedeputeerde Staten van Gelderland gezonden. In het convenant stellen de drie gemeenten onder meer de grenzen van het over te dragen gebied vast; de bebouwingsgrens; de functies en landschappelijke inrichting van de gronden in de overgangs- of randzones tussen de bebouwingsgrens en de gemeentegrens. Deze inrichting moet aansluiten bij de aangrenzende landschappelijke inrichting (agrarisch of het toekomstige landschapspark). Opgenomen in het convenant was ook het bijeenkomen van de Overleggroep voor een bindend advies over de planologische en stedenbouwkundige invulling van onder meer de zuid- en westrand. Vooral de gemeente Elst wilde geen enkel risico lopen en deze zaken vastleggen in het convenant. Om strategische redenen (onderhandelingen met grondeigenaren) is het overleg door Arnhem steeds uitgesteld.

Gedeputeerde Staten had geëist dat het convenant uiterlijk 1 november moest zijn vastgesteld; overeenkomstig de procedures van de wet ARHI (Algemene Regels Herindeling) van 24 oktober 1984; ter uitvoering van de 28 april 1993 door Provinciale Staten vastgestelde Ontwikkelingsvisie KAN en om toegezegde rijkssubsidie niet mis te lopen binnen de Vinex-taakstelling. De gemeenteraden van Heteren, Elst en Arnhem stemden respectievelijk 28 november, 6 en 12 december 1994 in met gelijkluidende besluiten over de grenscorrectie en het convenant. Het besluit is vervolgens goedgekeurd door het provinciaal bestuur. Het convenant ligt dus verankerd in drie raadsbesluiten. Het plangebied Spoorsprong (1996: Schuytgraaf) ging 1 januari 1995 over naar de gemeente Arnhem. 

Wat is afgesproken?

  1. De gemeenten Arnhem, Elst en Heteren stellen de grenzen vast van het over te dragen gebied Driel Oost en het westelijke deel van de Elster buurschap De Laar.
  2. Bebouwingsgrens. De gemeenten maken duidelijk een wezenlijk verschil tussen de plangrens (de toekomstige gemeentegrens van Arnhem) en de bebouwingsgrens (rooilijn).
  3. De zuidelijke bebouwingsgrens ligt in het verlengde van de sinds 1974 bestaande bebouwingsgrens gelegen ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat en de weg De Laar of Laarstraat.
  4. Gronden buiten de bebouwingsgrens. Buiten de bebouwingsgrens vallen het gebied ten noorden en  noordoosten van ’t Vlot en ten zuiden van de Vogelenzangsestraat met de bestemming ‘Groen en/of water’; de ecologische zone ten zuidwesten van de Vogelenzangsestraat; het agrarische gebied tussen de Achterstraat en de Drielse dijk; een strook grond langs de spoordijk; en gronden ten zuiden en zuidwesten van het plangebied met eveneens de bestemming ‘Groen en/of water’.
  5. Bestemming. Arnhem stelt het bestemmingsplan vast na advies van een Overleggroep van bestuurders en ambtenaren uit de drie betrokken gemeenten.
  6. Inrichting. Deze Overleggroep brengt een bindend advies uit over de planologische invulling van gronden aan de zuid- en westrand van het gebied. Deze gronden tussen bebouwingsgrens en gemeentegrens hebben de bestemming ‘Groen en/of water’. De gronden vormen geen buffer! Ze dienen als overgangszone naar het landelijk gebied en moeten aansluiten bij de landschappelijke inrichting van landschapspark Over-Betuwe (later: Lingezegen) en aangrenzend agrarisch gebied.
  7. Deze overeenkomst is bij gelijkluidend besluit vastgesteld door de drie betrokken gemeenteraden. 

Arnhem kan deze bestemming dus niet eenzijdig wijzigen. Daarvoor is altijd instemming nodig van de raad van de gemeente Overbetuwe! Er was duidelijk lering getrokken uit de negatieve ervaringen met afspraken over de planvorming  voor de wijken de Laar en Rijkerswoerd. De vereiste duidelijkheid was in 1993 verkregen door schriftelijke afspraken en een kaart.

In 1996 peilde Arnhem de opvatting van de gemeenten Elst en Heteren over de in het convenant opgenomen functies in de overgangszone (tussen de nieuwe gemeentegrens van Arnhem en de bebouwingsgrens). B. en W. van Elst reageerden 20 februari 1996 schriftelijk op de vraag van Arnhem in te stemmen met een gedeeltelijke bebouwing van de zuidrand. Het college merkte ‘nogmaals’ op dat Elst er onverkort aan hechtte ‘dat de overgang van stedelijk gebied naar plattelandsgebied niet met harde lijnen wordt geaccentueerd’. In dat verband was daarom in 1993 in het convenant vastgelegd dat de overgangszones de functies zouden krijgen van ‘groen en/of water’ en een landschappelijke inrichting. College en raad hadden bovendien aangedrongen op het vastleggen in het convenant van de Overleggroep die over de planologische invulling of bestemming een bindend advies kon uitbrengen. Het college van Elst achtte geen termen aanwezig het verzoek van Arnhem te honoreren. Elst hield onverkort vast aan wat hierover in het convenant is vastgelegd: de overgangszones hebben de functie van ‘groen en/of water’. Het college achtte de door Arnhem naar voren gebrachte argumenten onvoldoende. Het wilde daarom de raad niet voorstellen het in 1994 genomen besluit in heroverweging te nemen. Dit gold ook voor het verzoek van Arnhem op Elster grondgebied te mogen overgaan tot ontgronding. Het college vertrouwde erop dat Arnhem een passende oplossing zou vinden binnen de contouren van de in 1993 overeengekomen en in het convenant vastgelegde bebouwingsgrens. Het verwees bovendien naar de 28 april 1993 door Provinciale Staten vastgestelde Ontwikkelingsvisie. Daarin stond expliciet dat de zuidgrens van Schuytgraaf in het verlengde moest liggen van de bestaande grens langs de noordzijde van de Rijkerswoerdsestraat en de straat De Laar. 

De drie gemeenten legden in het convenant van 1 november 1993 ook de bebouwingsgrens en overgangszone tussen bebouwingsgrens en gemeentegrens vast alsmede de functies en landschappelijke inrichting van de gronden in deze overgangs- of randzones. Deze inrichting moest aansluiten bij de aangrenzende landschappelijke inrichting (agrarisch of het toekomstige landschapspark). Het bijeenkomen van de Overleggroep voor een bindend advies over de planologische en stedenbouwkundige invulling van onder meer de zuid- en westrand was ook opgenomen in het convenant. Gedacht is ook over vergroting van het landschapspark in de zuidrand. Vooral de gemeente Elst wilde geen enkel risico lopen en deze zaken vastleggen in het convenant. Om strategische redenen (onderhandelingen met grondeigenaren) is het overleg door Arnhem steeds uitgesteld. In 1993 heeft de Overleggroep een bindend advies gegeven over de bestemming (groen en/of water) en invulling (landschappelijke inrichting, aansluiten bij te ontwikkelen landschapsparkpark van de zuidrand. Het was toen dus al de bedoeling de zuidrand dezelfde invulling te geven als het landschapspark. Voor de westrand was gedacht aan een agrarische invulling. Men redeneerde toen vanuit het te ontwikkelen landschapspark en het agrarisch gebied en niet zoals later vanuit de woonwijk Schuytgraaf. 

De Overleggroep hield 5 juni 1996 haar tweede en laatste formele bijeenkomst. Namens de gemeente Elst waren aanwezig burgemeester H. Galama en wethouder A. Hulshof; namens de gemeente Heteren de heren A. Peters en Reijnen; en namens Arnhem wethouder Hartogh Heijs (voorzitter) en Beverdam, projectleider Schuytgraaf. De gemeente Elst hield vast aan haar eerder ingenomen standpunt geen bebouwing toe te staan in de overgangszone. De functie ‘water’ kon eventueel in een apart overleg besproken worden, afhankelijk van de inhoud van het ontwikkelingsplan. Deze functie zou indien noodzakelijk voor het watersysteem van de woonwijk eventueel geheel of gedeeltelijk gewijzigd kunnen worden in de bestemming ‘groen’ (bos) of ‘park’ in aansluiting bij het te ontwikkelen landschapspark Over-Betuwe (later Lingezegen). De gemeente Heteren had bij de functie ‘water’ geen moeite ‘met kleine inbreuken’ in de overgangszones. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft Arnhem daarna niet meer gereageerd. De standpunten van de gemeenten Elst en Heteren waren immers duidelijk. 

De opstelling van Elst vloeide ook voort uit negatieve ervaringen in het verleden. Rond 1970 waren bij de planvorming van de wijken De Laar en Rijkerswoerd eufemistisch uitgedrukt  ‘geen duidelijke afspraken’ gemaakt. De bebouwingsgrens was oorspronkelijk gepland tot de Rijkerswoerdsestraat en de straat De Laar. De gemeente Elst wilde ook toen al een groene overgangszone van circa 300 meter. Arnhem had 3 september 1968 de burgemeester van Elst beloofd de bebouwingsgrens 150 tot 400 meter naar het noorden terug te brengen. Tussen gemeentegrens en bebouwingsgrens zou een groengordel komen, eventueel met sportvelden. Het ontwerpbestemmingsplan De Laar was in 1973 in strijd met deze belofte uit 1968. De bebouwingsgrens was niet naar het noorden opgeschoven en er was geen groengordel van 300 meter opgenomen. Alleen ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat ten oosten van de A52 was de bebouwingsgrens naar het noorden verlegd. Arnhem zou 3 september 1968 onder Rijkerswoerdsestraat alleen het gedeelte ten oosten van de A52 hebben begrepen. Dit is echter zeer twijfelachtig. Arnhem was in 1968 al bezig met de voorbereiding van zandwinning in een plas ten zuiden van de Rijkerswoerdsestraat. Arnhem wist dus dat de Rijkerswoerdsestraat ook ten westen van de A52 ligt. 

Vervolgoverleg van de Overleggroep zou 2 december 1996 plaatsvinden. Deze bijeenkomst is niet doorgegaan. Bijeenkomen had ook geen enkele zin. De Overleggroep kon niet tot een bindend advies komen, omdat de standpunten onveranderd bleven. Arnhem wilde wijziging van de in het convenant vastgelegde functies. Elst en Heteren waren daartegen. De gemeenten Elst en Heteren durfden nog gewoon ‘neen’ te zeggen. Ook in 1997 en 1998 heeft de gemeente Elst negatief besloten op verzoeken van Arnhem tot wijziging van het convenant. Onder meer voor de bouw van een sportcomplex (stedelijke voorziening, rode functie). Elst wilde de bebouwingsgrens en de groen/blauwe functies van gronden in de overgangszones (zuid- en westrand) zoals vastgelegd in het convenant onverkort handhaven. Afspraak is afspraak. 

De gemeente Heteren had, zoals vermeld, 5 juni 1996 geen moeite ‘met kleine inbreuken’ in de functie ‘water’ in de overgangszones. De huidige woningbouw ten noorden en noordoosten van ’t Vlot is echter niet te beschouwen als een kleine inbreuk. Die bouw is voorts in strijd met de functie ‘water’. Bovendien kan Heteren daarover niet alleen beslissen. Ook het standpunt van Elst als lid van de Overleggroep is hierbij van belang. Wijziging van de in het convenant vastgelegde functies of een planologische invulling is immers uitsluitend mogelijk door een bindend advies van de Overleggroep. 

Arnhem hield en houdt zich niet aan het convenant en de betreffende raadsbesluiten. Bestempeling van het convenant als een herenakkoord door wethouder Kreeft in een commissievergadering is complete nonsens. Het convenant is een formele overeenkomst. Het was vereist door Gedeputeerde Staten om toegezegde rijkssubsidie niet mis te lopen binnen de Vinex-taakstelling. Het is bovendien vastgesteld bij drie gelijkluidende raadsbesluiten eind 1994!

De bouw van de hulpwarmtecentrale (2009) en sportpark Schuytgraaf is in strijd met het convenant.  Er is dus sprake van een hoogst ernstige zaak: bouwen buiten de bebouwingsgrens op gronden met de door een bindend advies vastgestelde bestemming ‘Groen en/of water’ en een vereiste landschappelijke inrichting. De bouw van woningen met rieten kap ten noorden en noordoosten van ’t Vlot is eveneens in strijd met het convenant. Deze woningen zijn eveneens gebouwd buiten de bouwgrens op gronden met de bestemming ‘groen en/of water’ en een vereiste landschappelijke inrichting. Bovendien gebruikt Arnhem gronden ten zuiden van de bebouwingsgrens in strijd met de afgesproken bestemming ‘Groen en/of water’. Nota bene: bijna vijfentwintig jaar na de ondertekening van het convenant. Deze gronden bij en ten oosten van de hulpwarmtecentrale worden namelijk gebruikt voor een gebouw van Projectpunt gemeente Arnhem; volkstuinen; en kantoor, opslag en stort van wegenbouwmaatschappij KWS Infra. 

Arnhem wist en weet dat Elst en Heteren (2000 gemeente Overbetuwe) tegen bouw buiten de bouwgrens waren en nog steeds zijn. De Overleggroep kon (kan) daarover dus geen bindend advies geven. Arnhem bouwde daarom op eigen houtje buiten de Overleggroep om: buiten de in het convenant vastgelegde bebouwingsgrens; op gronden met de eveneens in het convenant vastgelegde functies ‘groen en/of water’ en die volgens het convenant een landschappelijke inrichting moesten krijgen. Die bouw is dus illegaal in de zin van in strijd met het convenant. Arnhem moet nu eindelijk eens ophouden zonder steekhoudende argumenten bij elk nieuw college te zeuren om een wijziging van het convenant. Afspraak is afspraak, ook voor Arnhem. Over het convenant is in 1993 immers volkomen overeenstemming bereikt! Arnhem komt toch ook niet terug op de overdracht van de Spoorsprong (Schuytgraaf) aan Arnhem…. 

Een mogelijke oplossing

Staatsbosbeheer heeft ten zuiden van Schuytgraaf een speelbos aangelegd in het ‘boslandschap’ De Park van landschapspark Lingezegen. De Park dreigt te ontaarden in een stadspark in plaats van het afgesproken loofboslandschap. Een oplossing is ook speelbos aan te leggen in de zuidrand van Schuytgraaf. Dat past precies binnen de aan de overdracht van Schuytgraaf gestelde voorwaarden: geen bouw buiten de vastgestelde bebouwingsgrens, valt binnen de bestemming ‘groen’ en met een vijver ook binnen de bestemming ‘water’ en voldoet aan de eis van een landschappelijke inrichting overeenkomstig het aangrenzende landschapspark. De gemeente Overbetuwe moet ervoor waken dat Arnhem ook daar buiten de bebouwingsgrens en in strijd met de bestemming en de vereiste landinrichting woningen bouwt! 

De oplossing voor de bouw in strijd met het convenant en dus de afspraken, bestemming en landinrichting is sloop van de bouwwerken. Tegenover akkoord gaan met die bouwwerken moet een ruime compensatie staan: aanleg van het afgesproken loofboslandschap in deelgebied De Park van het landschapspark Lingezegen of een fors geldbedrag. Ja, sommigen vinden het nog steeds de moeite waard om afspraken na te komen.

Landschapspark Lingezegen is ontaard in stedelijk uitloop- en recreatiegebied.

Regionaal landschapspark Lingezegen

Over ontstaansgeschiedenis, aard en doel van het ‘regionale landschapspark Lingezegen’ bestaat veel onkunde, zelfs bij de speciaal opgetuigde parkorganisatie en de steden Arnhem en Nijmegen. Realisering van het landschapspark wordt kennelijk overgelaten aan niet ter zake kundige ambtenaren en bestuurders. Die beweren dat het landschapspark bijna af is. De landschapsontwikkeling moet echter nog beginnen. Tot nu toe is niet veel meer gedaan dan het bestaande agrarische landschap aantasten met de aanleg van wandel-, fiets- en ruiterpaden en graafwerkzaamheden. 

Tot omstreeks 1990 had het centrale deel van de Over-Betuwe in de provinciale streekplannen de functie van open, groene buffer tussen Arnhem en de Waal. In 1990 stemden Provinciale Staten in met het Ontwikkelingsvisie Knooppunt Arnhem-Nijmegen. De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex, 1991) bevatte uitgangspunten voor de bouw van woningbouwlocaties voor de periode 1 januari 1995 tot 1 januari 2005. Voor enkele stedelijke gemeenten werd zelfs de richting van de stadsuitbreiding aangegeven. Formeel bepalen echter de provincie en samenwerkende gemeenten de locaties. Die locaties kregen al snel de aanduiding Vinex-locaties of Vinex-wijken. Bij het verstedelijkingsbeleid of verstedelijkingsoperatie maakten rijk, provincie en knooppunt Arnhem-Nijmegen rond 1992 afspraken over compensatie voor de verregaande verstedelijking van het fraaie Over-Betuwse landschap. Nijmegen wilde een Waalsprong door annexatie van Lent. Arnhem wilde een Spoorsprong (later: wijk Schuytgraaf) door annexatie van het westelijk deel van buurschap De Laar (gemeente Elst) en grondgebied van de gemeente Heteren. De provincie ging met beide wensen akkoord en ‘joeg’ twee gemeenten voor stadsuitbreiding de Over-Betuwe in. Een blunder, gelet op landschap en milieu!

De vereiste afspraken kregen hun neerslag in het Streekplan Gelderland 1996 en het Regionaal Structuurplan Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN) 1995-2015. De verlangde compensatie aan de Over-Betuwe was uiteraard de absolute voorwaarde voor de gewenste verstedelijking. Alle betrokkenen kregen een compensatieverplichting bestaande uit financiering van kwalitatief hoogwaardige landschapsontwikkeling in het te realiseren ‘regionale landschapspark Over-Betuwe’ (later ‘Lingezegen’). Het Rijk stelde in 1995 (bevestigd in 2002) als compensatie voor de verstedelijking een bijdrage beschikbaar uit het budget voor strategisch en regionaal groen (vlakgroen) en corridorgroen (verbindingen). Het betaalde voor het strategisch groenproject de aankoop van 470 hectare strategisch groen voor 100% en 70 hectare corridorgroen voor 50%. Voor de uitwerking en financiering zorgden de gemeenten Arnhem, Nijmegen, Elst (2001: Overbetuwe) en Bemmel (2001: Lingewaard), waterschap en het KAN onder voorzitterschap van een lid van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. Voor de financiering van de regionale bijdrage was de volgende verdeelsleutel vastgesteld: provincie en waterschap 50%, KAN 30%, Arnhem en Nijmegen 12,5% en Overbetuwe en Lingewaard 7,5%. Het Rijk kwam zijn afspraken na; de regio niet.

Deze compensatie of verevening voor de zware en onnodige aantasting van het Over-Betuwse landschapsschoon door verstedelijking bestond uit behoud van een groene buffer van ruim 1100 hectare tussen de te verstedelijken gebieden (stedelijk uitloopgebieden De Woerdt bij de Waalsprong en in Arnhem met voornamelijk een recreatieve functie niet meegerekend). Deze groene bufferzone op grondgebied van de huidige gemeenten Overbetuwe en Lingewaard moest verdere verstedelijking tegengaan en gericht zijn op kwalitatieve landschapsontwikkeling. De buffer of ‘’t buffertje’ was in feite het schamele restant van de befaamde groene bufferzone in de Over-Betuwe tussen de Neder-Rijn en de Waal. De strategische groene buffer ligt in de grondgebiedgemeenten Elst en Bemmel. Sinds de annexatie door Arnhem van Elden en omgeving in 1966 en 1974 weert Elst in het agrarische gebied tussen Arnhem en het dorp Elst niet-agrarische bebouwing. Sinds 1 januari 1974 moet de bebouwingsgrens ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat en De Laar en het verlengde daarvan niet-agrarische bebouwing ten zuiden van deze grens voorkomen.    

Het doel van de compensatie was aanleg van een karakteristiek kwalitatief hoogstaand Over-Betuws bos- en waterlandschap met behoud van agrarisch landschap ten oosten van de A325. Het beoogde regionale landschapspark zou bestaan uit drie karakteristieke Over-Betuwse rivierenlandschappen: een (vochtig) loofboslandschap (De Park), een water- en natuurlandschap (Rijkerswoerd, het Broek, Waterrijk) en een agrarisch landschap (Landbouwland). De bedoeling was de aanleg van grote eenheden bos, water en natuur. Het loofboslandschap zou verrijzen in De Perk of De Parck (omheind gebied) tussen Laarstraat, Rijksweg-Noord, Linge en Grote Molenstraat. Het water- en natuurlandschap zou komen in het Broek (laaggelegen moerassig gebied), het zuidelijke deel van de buurschap Rijkerswoerd tussen Rijkerswoerdsestraat en de Linge. Het grondgebonden agrarisch landschap ten oosten van de A325 kon kwalitatief verbeterd worden. In deze hoogkwalitatieve landschappen zou uitsluitend extensieve recreatie (net van wandel-, fiets- en ruiterpaden) zijn toegestaan. De intensieve recreatie aan de noordzijde van de Rijkerswoerdse plassen mocht blijven bestaan. De huidige en nieuwe kwaliteit van het landschap werd gezien als de belangrijkste drager van de recreatieve ontwikkeling. De hoofddoelen van het landschapspark zijn realisering van een groene buffer en schakel tussen verstedelijkte gebieden en dorpen. Die buffer moet aantrekkelijk zijn voor recreanten uit de regio; de ecologische structuur versterken en een ontwikkeling naar een aaneengesloten verstedelijkt gebied tegengaan. Eisen voor de inrichting van het landschapspark met een landschappelijke hoofdfunctie zijn de aanleg van grote eenheden bos, water en natuur; behoud en herstel van de kwaliteit van het Over-Betuwse rivierenlandschap; versterking van extensieve recreatieve mogelijkheden; duurzaam waterbeheer; verbetering van de toegankelijkheid; en grondgebonden landbouw die bijdraagt aan de kwaliteit van het landschapspark. Natuur- en cultuurelementen; bos-, water- en landbouwlandschappen en het zichtbaar maken van oeverwallen, stroomrug- en komgronden, woerden en afwateringsstelsels moeten een belangrijke bijdrage leveren aan verhoging van de kwaliteit van het landschapspark.

In dat landschapspark past uiteraard geen verstedelijking, in welke vorm ook. Dus geen evenemententerrein, stadspark, mozaïekpark, hondenspeelveld, volkstuinen of andere stedelijke voorzieningen en geen stedelijk uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio als hoofdfunctie van het landschapspark. De landschappelijke hoofdfunctie van het landschapspark dient onaangetast te blijven. Opmerkelijk is dat in 2007 nog gesproken werd over de drie Over-Betuwse landschappen. Loofboslandschap De Park zou bestaan uit loofbosgebieden met essen, iepen, eiken en kastanjebomen. 

Ommekeer door onkunde en onbegrip 

Sinds 2008 is het regionale landschapspark Lingezegen steeds verder verwijderd geraakt van de oorspronkelijke afspraken en opzet. Het is zelfs ontaard in een stedelijk uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio. De landschappelijke hoofdfunctie is vervangen door een recreatieve. Dat was juist niet de bedoeling en gaat ten koste van de drie te vormen landschappen. De reden is Masterplan Park Lingezegen, een bijlage van de op 3 juli 2008 door betrokken partijen getekende bestuursovereenkomst. Die hadden wethouder R. W. Mooij van Overbetuwe en B. Joosten van Lingewaard nimmer kunnen accepteren. De ondeskundige auteur Geert van Duinhoven weet niet waarover hij schrijft en kent in ieder geval de voorgeschiedenis niet. Het Masterplan bevat dan ook veel historische onjuistheden. De auteur weet niet dat het regionale landschapspark Lingezegen compensatie aan de Over-Betuwe is voor de zware aantasting van het gebied door verstedelijking. In het Masterplan spreekt hij zelfs over een ‘stedelijk park met Betuws karakter’, al weet hij niet wat een 'stedelijk park' en dat Betuws karakter is. Hij weet ook niet dat deelgebied De Park volledig in Elst ligt en niet tegen ‘de noordrand van Elst’. De Park is dus niet ‘goed toegankelijk vanuit Elst’, maar ligt volledig in Elst. De fietsverbindingen daar liggen dan ook niet tussen Elst en Schuytgraaf, maar in Elst. De auteur en veel anderen weten kennelijk bovendien niet meer wat een landschapspark is. Zij achtten zich daardoor niet gebonden aan de bij serieuze onderhandelingen gemaakte afspraken over compensatie voor de verstedelijking. Historisch onjuist, bestuurlijk verwerpelijk en in strijd met de afspraken is het uitgangspunt verstedelijking en verstedelijkte gebieden in plaats van compensatie aan de Over-Betuwse gemeenten.

                                                1992                                                                2008

 

Uitgangspunt:               compensatie                                         verlengde verstedelijking

                                    aan Elst en Bemmel                            voor verstedelijkt gebied

Doel:                            landschapspark met                            uitloop- en recreatiegebied

                                    extensieve recreatie                           met intensieve recreatie

Middel:                         landschapsontwikkeling:                     verdere aantasting van

                                    bos-, water en agrarisch                      landschap door paden,

                                    landschap                                            evenementen(terrein), enz.

Hoofdfunctie:               landschappelijke                                  recreatieve

Naam:                          landschapspark                                   ‘park’

Functie                         schakel en buffer                                 verlengde van verstedelijkt

                                    tussen stedelijke en                             gebied

                                    andere woongebieden

Het landschapspark is vervallen tot een stedelijk uitloop- en recreatiegebied. Historisch onjuist of een mythe is ook dat recreatie de hoofdfunctie is van het landschapspark. Het landschapspark heeft zoals de naam aangeeft een landschappelijke hoofdfunctie. Het behoort die in ieder geval te hebben. Het Masterplan vervangt die landschappelijke hoofdfunctie van het landschapspark door een recreatieve. Het beweert dat in het landschapspark de Betuwse landschapsgeschiedenis tot uitdrukking dient te komen, maar komt deze bewering niet na. Het spreekt zelfs over het park dat ‘een integraal onderdeel uitmaakt van de verstedelijking’; een ‘buitengebied dat past bij de stedelijke uitbreidingen’. Juist is te spreken over Over-Betuws landschapspark met drie Over-Betuwse landschappen: een loofbos-, een water- en een landbouwlandschap. Recreatieve ontwikkeling van de compensatiegronden is in strijd met de afspraken. Bedreiging en verloedering van het te ontwikkelen landschapspark dreigen door onwetendheid en wijziging van naam, doelstelling, middelen en hoofdfunctie: park in plaats van landschapspark Lingezegen beoogt realisering van een stadspark, stedelijk uitloopgebied en stadsregionaal recreatiegebied met recreatieve bebouwing (interne verstedelijking). De compensatie hield in de aanleg van een landschapspark met drie karakteristieke Betuwse landschappen. Dat behoort het karakter en hoofdfunctie van het landschapspark te zijn. Aan de oostzijde van de Rijkerswoerdse Plassen wordt zelfs gedacht aan een recreatieboulevard met stedelijke bebouwing bij de cultuurhistorisch waardevolle Betuwe- of defensiedijk. Een deel van deze dijk is zelfs ondanks de cultuurhistorische waarde verwijderd ter hoogte van het Kempke. Het beoogde loofbosgebied De Park is vervallen tot een soort mozaïeklandschap met bospercelen, elzensingels, houtwallen, weilanden en boomgaarden. Het dreigt zelfs te ontaarden in een soort stadspark met evenemententerrein, laanbomen, hondenspeelveld, kleine bospercelen, volkstuinen, voedselbos, stadslandbouw, waterspeelplaats en boomgaarden. Die elementen horen en passen dus niet in een Over-Betuws loofboslandschap,  zelfs niet in het bestaande agrarische landschap. Deelgebied De Park is dan ook ontaard in of verloederd tot een gebied dat ‘vlees noch vis’ is in het landschap(spark) en aan het landschap(spark) zelfs afbreuk doet. Het is meer een tegemoetkoming aan de stadswijk Schuytgraaf dan compensatie aan de gemeente Overbetuwe. Veelzeggend is de overigens onjuiste uitlating in de algemene brochure van het park in aanleg van de ter zake kennelijk ondeskundige wethouder M. Leisink van Arnhem. Hij ‘ziet het landschapspark als de nieuwe voortuin van Arnhem’. Hij heeft van een landschapspark als compensatie voor verstedelijking van de Over-Betuwe en een schakel en buffer tussen stedelijke en andere woongebieden dus niets begrepen. De Arnhemse raad mag dan dergelijke prietpraat van zijn wethouders accepteren, een Over-Betuwnaar niet. Wel typisch Arnhems naast het koesteren van de geschiedvervalsing van de geschiedvervalsing 'slag om Arnhem'; het niet onbebouwd kunnen laten van grond; niet houden aan overeenkomsten met buurgemeenten, en bouwen buiten de bouwgrens en in strijd met bestemming en landinrichting. In strijd met de afspraken krijgt het landschapspark de hoofdfunctie van uitloop- en recreatiegebied. Beter is eerst het landschapspark te voltooien en vervolgens de toegankelijkheid te bezien. Veelzeggend is de onjuiste formulering dat er naast recreatie ook ruimte komt voor bos, landbouw, natuur en water. De landschappelijke hoofdfunctie van het landschapspark wordt geleidelijk verdrongen door de recreatieve. Historisch juist voor het landschapspark is de formulering dat er naast bos, water, natuur en landbouw ook ruimte komt voor extensieve recreatie. In deze bufferzone mag uiteraard geen verstedelijking plaatsvinden in de vorm van stedelijke bebouwing, activiteiten en voorzieningen. Voorbeelden daarvan zijn volkstuinen, evenemententerrein, sport- en wijkvoorzieningen (hondenspeelveld en skeelerbaan) en eventueel plaatsing van zonnepanelen. Vestiging van niet-landschappelijke en niet-agrarische activiteiten is immers een vorm van verstedelijking.

Aandacht voor cultuurhistorie ontbreekt in het landschapspark. Zo is er geen aandacht voor de Limes; het geallieerde Over-Betuwse bruggenhoofd (26 september 1944 tot 5 april 1945);  kanaal De Grift; en de in 1951/1952 aangelegde Betuwe- of defensiedijk als onderdeel van de Rijn-IJssellinie. Het Masterplan spreekt over Betuwelijn, maar bedoelt de Betuweroute. Verloedering van het bestaande landschap dreigt door ontaarding van het landschapspark  in een soort stadspark als Sonsbeek en Goffertpark. Interne verstedelijking leidt tot een ‘kwalitatief hoogwaardig stedelijk uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio’, aldus het Masterplan.  De aanleg van een net van vrijwel kaarsrechte wandel-, fiets- en ruiterpaden leidt immers niet tot de afgesproken en dus vereiste landschapsontwikkeling.

Velen begrijpen nog steeds niet dat landschapspark Lingezegen compensatie aan de voormalige gemeenten Elst en Bemmel is. Compensatie voor de zware aantasting van Over-Betuws landschap door verstedelijking. De projectorganisatie van dit landschapspark in aanleg treuzelt wel heel erg lang met de aanleg van Over-Betuws loofboslandschap De Park; Over-Betuws waterlandschap Waterrijk (Rijkerswoerd, 't Broek); en Over-Betuws agrarisch landschap ten oosten van de A325. Het tast wel het bestaande landschap aan met allerlei wandel-, fiets- en ruiterpaden (zonder de uitwerpselen buiten die paden op te ruimen); hondenspeelveld (stedelijke wijkvoorziening in strijd met bestemming natuur); evenementen, evenemententerrein (stedelijke voorziening) en vaarwegen. Het zogenaamde landschapspark is ontaard in een stadspark en uitlaatgebied voor honden. Deze ontwikkeling is in strijd met de gemaakte afspraken over het te ontwikkelen landschapspark. De basisuitrusting van het landschapspark is in 2017 dan ook nog lang niet klaar.  En de projectorganisatie maar beweren (nog op 4 december 2017) dat Park Lingezegen bijna af is. De drie afgesproken landschappen zijn immers nog niet aangelegd. Herstel is slechts mogelijk door de drie vereiste landschappen alsnog aan te leggen. Daarin was ook extensieve recreatie voorzien. Altijd beter dan uitsluitend en vooral intensieve recreatie. Het is dan ook beter voortaan eerst de compensatie overeenkomstig de afspraken te realiseren en dan de verlangde woningbouw.

 Geraadpleegde literatuur:

  1. Park Over-Betuwe. Ontwerp Gebiedsperspectief, 15 december 2000
  2. Een park van formaat. Park Over-Betuwe naar realisatie, januari 2006.
  3. Een park van formaat. Park Lingezegen, mooi dichtbij, juli 2008.
  4. Geert van Duinhoven, Masterplan Park Lingezegen, juli 2008.
  5. Park Lingezegen. Van Plan tot Park, 2015, 108 p. 

Park Lingezegen. Van Plan tot Park, 2015. 

Het kleurrijke boek heeft een handig formaat, is fraai uitgegeven en bevat kaarten, veel afbeeldingen en foto’s in kleur. De nadruk is meer gelegd op de vorm dan op de inhoud. Park Lingezegen is een nieuw landschapspark in de Over-Betuwe. Het park bestaat uit vijf deelgebieden. Het landschapspark zou volgens afspraak drie Over-Betuwse landschappen bevatten: loofboslandschap De Park, waterlandschap Waterrijk (Het Broek) en agrarisch landschap (Landbouwland). Dit landschapspark is niet bedoeld als ‘uitloopgebied voor bewoners van de steden’. Het is compensatie aan de Over-Betuwe voor de door de verstedelijking zware aantasting van het Over-Betuwse cultuurlandschap. Het park is bovendien verevening voor het verlies van de Over-Betuwse groene buffer tussen Waal en Neder-Rijn. Niet duidelijk is het verschil tussen woerden (Rijkerswoerd), oeverwallen en stroomrug- en komgronden (p. 28-30). Onjuist is te spreken over ‘slag om Heuvel’. Doel van het Duitse offensief in de eerste week van oktober 1944 was vernietiging van het Over-Betuwse bruggenhoofd. De aanval bestond uit twee fasen. Fase 1 was herovering van Elst en fase 2 herovering van de Waalbrug.  Tijdens de eerste fase van het offensief was de hoofdaanval dus gericht op herovering van Elst. Flankaanvallen vonden plaats in De Laar en bij Heuvel, Bemmel, Elden (bij de spoorbrug), Driel, Randwijk en Opheusden. Heuvel was dus geen doel. De Duitse troepen moesten over Heuvel via Vergert en Breedlersestraat naar Aam en het dorp Elst. Terecht is er veel aandacht voor archeologie en geschiedenis. Helaas niet voor het oude kanaal De Grift en de Betuwe- of defensiedijk als onderdeel van de Rijn-IJssellinie (1951-1958). Het vermelde doel van operatie Market Garden (p. 49) is onjuist. Een opmars naar Duitsland is de door Montgomery gewenste opmarsrichting. Het strategische doel van operatie Market Garden was vorming van een bruggenhoofd ten noorden van de Neder-Rijn. Dat bruggenhoofd tussen Arnhem en het IJsselmeer diende diepe uitlopers te hebben over de IJssel. Tactische doelen waren het afsnijden van de Duitse troepen en hun lanceerbases voor V2-raketten in het westen van Nederland. Operatie Market Garden is 21 september 1944 mislukt ten zuiden van Elst (nu: ten zuiden van het kruispunt Griftdijk-Stationsstraat). Daarna begon de vorming van het geallieerde Over-Betuwse bruggenhoofd. De verdedigingslinies kwamen te liggen ten westen van de spoordijk Arnhem-Elst tot de Linge en vervolgens ten zuiden van de Linge naar de Waal. In oktober en november 1944 moest de burgerbevolking evacueren op duizend mannen in Lent-Ressen-Oosterhout na. Het gebied had veel te lijden van plundering door de geallieerden, vooral Amerikanen. 

Uit het boek blijkt dat de ontstaansgeschiedenis van het landschapspark onbekend is. Men weet niet dat het park compensatie/verevening aan de Over-Betuwe is voor de verstedelijking van de Over-Betuwe. Daarom heette het park aanvankelijk ook landschapspark Over-Betuwe. Dit is gewijzigd nadat er een herindelingsgemeente kwam met de naam Overbetuwe. Het landschapspark zou bestaan uit drie landschappen: loofboslandschap De Park, waterlandschap Het Broek en meer gebied van Rijkerswoerd (Waterrijk) en agrarisch landschap (Landbouwland). De landschappelijke functie moest de hoofdfunctie zijn, niet de recreatieve. Het Over-Betuwse landschap was immers zwaar aangetast door de verstedelijking. Het park als stedelijk uitloop- en recreatiegebied is historisch gezien dan ook onjuist. Het verst afgeweken van de oorspronkelijke bedoeling is De Park. De Kleijn stelt zelfs dat dit gebied (mozaïeklandschap of stadspark) aangepast is aan de woonwijk Schuytgraaf (64). Hij heeft dus van het landschapspark als compensatie voor verstedelijking niets begrepen. Sylvia Karres heeft niets begrepen van ontstaan, karakter en bestaansrecht van het landschapspark (55-57). Zij wil het landschapspark juist misbruiken voor b.v. verstedelijking in de vorm van stadslandbouw, circuit en duurzame manieren van energievoorziening. 

Nauw hiermee samen hangen afspraken met Nijmegen en Arnhem over grondoverdracht voor de bouw van de Vinex-locaties Spoor- en Waalsprong. Beide gemeenten komen de gemaakte afspraken niet na. Nijmegen beweert ten onrechte dat de Waalsprong geen woningbouwlocatie is maar een stadsdeel en Arnhem komt gemaakte afspraken niet na (zie hierna).

Gelderse streken en bestuursregio's

De toerismebureaus van de regio’s Arnhem-Nijmegen (RBTKAN), Rivierenland (RBT Rivierenland) en de Veluwe (VisitVeluwe) hebben een groot gebrek aan historische en geografische kennis. Ze misbruiken geschiedenis en aardrijkskunde om toeristen te trekken. Ze verspreiden mythen over operatie Market Garden en de geschiedvervalsingen van een slag om Arnhem en een capitulatie in Wageningen. Ze kennen bovendien het verschil niet tussen namen van Gelderse landstreken en de sinds 1 januari 2016 opgeheven bestuursregio’s Stadsregio Arnhem-Nijmegen en Rivierenland (geldersestreken.nl). Daarnaast verkrachten ze met historische mythen de geschiedenis voor activiteiten binnen het zogenaamde oorlogs-, herinnerings-, herdenkings- en bevrijdingstoerisme (www.gelderseroutes.nl; www.liberationroute.nl). 

De regio Rivierenland wordt vaak verward met het rivierengebied, zelfs met de Betuwe. Het rivierengebied is de aanduiding voor het deel van Midden-Nederland dat van de grens met Duitsland tot de Noordzee tussen de Neder-Rijn, Waal en Maas ligt. Rivierenland is geen landstreek, maar de benaming van een bestuurlijke samenwerkingsregio voor de Neder-Betuwe, Tielerwaard, Bommelerwaard en Land van Maas en Waal. 

De landstreek de Betuwe bestaat uit de Over-Betuwe, Neder-Betuwe en Tielerwaard. Dagblad De Gelderlander onderscheidt in dit gebied abusievelijk de regio’s Betuwe en Rivierenland. De Betuwe is echter geen regio, maar een landstreek. De Betuwe omvat bij De Gelderlander slechts de landstreek de Over-Betuwe en de bestuursregio Rivierenland (de Neder-Betuwe en de Tielerwaard). De benaming Rivierenland kan dus vervallen. De Betuwe bestaat immers uit de landstreken Over-Betuwe, Neder-Betuwe en Tielerwaard. 

Omroep Gelderland onderscheidt rivierengebied en de opgeheven bestuursregio Arnhem-Nijmegen.  De Over-Betuwe is echter een onderdeel van het rivierengebied en valt abusievelijk onder die opgeheven bestuursregio. Arnhem kan bij de Veluwe en Nijmegen bij het Rijk van Nijmegen. 

Overigens gebruiken de Rabobank en soms De Gelderlander nog steeds de onjuiste benaming Oost-Betuwe. Deze bank beweert geworteld te zijn in de regio. De naam van de regio kent deze bank echter niet. De juiste benaming voor de betreffende landstreek is de Over-Betuwe of Boven-Betuwe.

Duidelijk is dat de namen van de opgeheven bestuursregio’s zo snel mogelijk moeten verdwijnen. De namen van werkelijke Gelderse streken zijn belangrijker. De makers van de website www.geldersestreken.nl of ‘Gelderland levert je mooie streken’ misbruiken nog steeds namen van deze regio’s voor landstreken. Tot de Gelderse streken rekenden zij immers abusievelijk de bestuursregio’s Rivierenland en Arnhem-Nijmegen. Zij leveren geografisch en historisch gezien dus broddelwerk. De Betuwe brengen zij abusievelijk onder bij de bestuursregio Rivierenland. De Betuwe is echter een landstreek in het rivierengebied.

Holland misbruikt en onbegrepen

Het blijft tobben met het gebruik van de naam Holland, vooral door overwegend randstedelijk of Goois denken. Velen denken nog steeds dat Holland hetzelfde is als Nederland. Dat was uitsluitend het geval tijdens het Koninkrijk Holland van 1806 tot 1810. Holland omvat sindsdien de provincies Noord- en Zuid-Holland. Op die twee provincies hebben de volgende zaken dan ook betrekking. Voornamelijk commerciële omroepen blijken deze in werkelijkheid regionale programma’s op nationale zenders uit te zenden. Voorbeelden van deze producten waarop de andere tien provincies niet zitten te wachten, zijn:  #IkhouvanHolland (RTL4); The Voice of Holland (RTL4); Holland’s Next Top Model (RTL5); #HollandZingt (SBS6); Hollands Beste Bloemstylist (SBS6), #Hollandshoop, #Hollandheinekenhouse en Heel Holland bakt (Max, NPO1). En dan is er ook nog de telefoonprovider #Hollandsnieuwe voor het westelijke deel van de Randstad.  Om over Eneco met #Hollandsewind en #Videoland met Hollandse films maar te zwijgen. Overigens is Nederland in het Engels The Netherlands. Weermannen en -vrouwen spreken soms abusievelijk over Hollandse luchten en Hollands weer, ook in bijvoorbeeld Gelderland. 

Green Deal is een 2 november 2015 gestarte campagne van de G-12 om de Hollandse keuken duurzamer te maken. Tot de twaalf deelnemers behoren  twee ministeries, Wageningen Universiteit, de Rabobank en de gemeenten Groningen, Ede, Amsterdam en Rotterdam. Merkwaardig is dan ook dat de campagne zich niet richt op de Nederlandse keuken. 

De Gelderlander bespreekt sinds 7 november 2015 vijf zaterdagen een Hollandse Held en brengt bovendien een Zilveren Boekjesreeks over De Hollandse Helden uit. Het dagblad noemt deze helden ook wel nationale of Nederlandse helden. Hollandse helden zijn echter geen nationale, maar regionaal-provinciale helden.

Linda de Mol opende 9 november in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem het dertiende Nationaal Schoolontbijt. Ze zei zelf thuis een Hollands, ja zelfs oer-Hollands ontbijt te gebruiken; streekgebonden dus. Niks geen Nederlands of nationaal gedoe. 

Ook de onlangs overleden Duitse oud-bondskanselier Helmut Schmidt bleek de naam van een van de buurlanden niet te kennen. De Hamburger sprak nog over Holland. 

De toerismebureaus van de regio’s Arnhem-Nijmegen en de Veluwe (VisitVeluwe) voeren een campagne onder de leus ‘Das andere Holland’. ‘Duitsers moeten Gelderland ontdekken als vakantiebestemming’. De bureaus misbruiken daarvoor het begrip Holland en wekken de indruk dat ook de andere tien provincies onder Holland vallen. De toerismemanagers denken waarschijnlijk ook nog dat het andere Beieren de rest van Duitsland betreft. Overigens ‘moeten’ deze Duitsers die de naam van een van hun buurlanden niet kennen niets. Deze bureaus misbruiken zonder voldoende kennis geschiedenis en aardrijkskunde om toeristen te trekken. Ze verkondigen veel onzin over operatie Market Garden en verspreiden de geschiedvervalsing van een capitulatie in Wageningen. Ze kennen bovendien het verschil niet tussen Gelderse landstreken en de bijna opgeheven bestuursregio’s Arnhem-Nijmegen en Rivierenland (www.geldersestreken.nl). Daarnaast verkrachten ze met historische mythen de geschiedenis voor activiteiten binnen het herdenkings- en bevrijdingstoerisme (www.gelderseroutes.nl; www.liberationroute.nl.   

Uit reacties blijkt het gebruik van Holland voor Nederland voort te vloeien uit onwetendheid, onbegrip en een zekere bekrompenheid.  Het gebruiken van de stijlfiguur pars pro toto, waarin iets door het noemen van een deel ervan wordt aangeduid, komt niet zo vaak voor. Velen kennen die stijlfiguur niet eens. 

Namen van bestuursregio’s verstoren Gelderse streken

Bij de waterschapsverkiezingen op 18 maart 2015 bleek opnieuw hoezeer Rivierenland wordt verward met het Rivierengebied, zelfs met de Betuwe. Ook door kandidaten voor het waterschapsbestuur. Het rivierengebied is een aanduiding voor dat deel van Midden-Nederland dat van de grens met Duitsland tot de Noordzee tussen de Neder-Rijn, Waal en Maas ligt. Rivierenland is geen landstreek, zelfs geen deel van dit rivierengebied. Het was de benaming voor een bestuursregio voor de Neder-Betuwe, Tielerwaard, Bommelerwaard en Land van Maas en Waal. De landstreek de Betuwe bestaat uit de Over-Betuwe, Neder-Betuwe en Tielerwaard. De Over-Betuwe viel onder de bestuursregio Arnhem-Nijmegen. 

Dagblad De Gelderlander onderscheidt in dit gebied abusievelijk de regio’s Betuwe en Rivierenland. De Betuwe omvat slechts de Over-Betuwe en Rivierenland de Neder-Betuwe en de Tielerwaard. De benaming Rivierenland kan dus vervallen. De Betuwe bestaat immers uit de Over-Betuwe, de Neder-Betuwe en de Tielerwaard. 

Omroep Gelderland onderscheidt rivierengebied en de voormalige bestuursregio Arnhem-Nijmegen.  De Over-Betuwe als onderdeel van het rivierengebied valt abusievelijk onder die bestuursregio. Arnhem kan bij de Veluwe en Nijmegen bij het Rijk van Nijmegen. 

Duidelijk is dat de namen van opgeheven bestuursregio’s zo snel mogelijk moeten verdwijnen. De namen van echte Gelderse streken zijn belangrijker. De makers van de website www.geldersestreken.nl of Gelderland levert je mooie streken weten echter niet dat bestuursregio’s geen landstreken zijn. Tot de Gelderse streken rekenen zij Rivierenland en de regio Arnhem-Nijmegen. Zij leveren dus broddelwerk. De Betuwe brengen zij abusievelijk onder bij Rivierenland. De Betuwe is echter een landstreek in het rivierengebied.

Buurschappen in de Over-Betuwe

Massamedia verwarren geregeld buurtschappen en buurschappen, net als Betuweroute en Betuwelijn. De grote verschillen tussen beide spoorlijnen zijn echter goed zichtbaar. De Betuwelijn is voor personenvervoer, heeft enkel spoor en is in gebruik genomen tussen 1882 en 1885. De Betuweroute is uitsluitend voor goederenvervoer, heeft dubbel spoor en is in gebruik sinds 2007. De Betuwelijn tussen Elst en Dordrecht is 16 juli 1885 geopend, grotendeels niet geëlektrificeerd en 94 km lang. De Betuweroute tussen Rotterdam en Zevenaar met aansluiting op Duitsland is 16 juni 2007 geopend, geëlektrificeerd en heeft een lengte van 160 km. De Betuwelijn slingert rustig door het vlakke Betuwse landschap en is een belangrijke ontsluiting van het rivierengebied. De Betuweroute snijdt de Betuwe in twee gedeelten, beperkt daardoor de ontsluiting en vormt een lelijke en zware aantasting van het fraaie rivierengebied. Wie deze ‘misinvestering van de twintigste eeuw’ abusievelijk Betuwelijn noemt, spreekt vaak ook over buurtschap en gehucht Reeth. Deze verwarring van buurschap met buurtschap door buitenstaanders of leken op dit gebied is begrijpelijk. Niet zichtbaar is immers of een bewoningskern een voormalige buurschap is. Journalisten van de Gelderlander, editie Betuwe, beweren dat het woord buurschap niet meer bestaat. Het komt immers niet voor in de Woordenlijst van de Nederlandse Taalunie. Die lijst is echter slechts een hulpmiddel bij het spellen en geen voorgeschreven lijst van officieel toegelaten woorden. Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal omschrijft buurtschap als enige bij elkaar staande woningen. Een buurtschap is dus wel zichtbaar. Buurschap slaat op betrekkingen tussen buren, buurschap houden op goede omgang met buren. Deze zeer beperkte omschrijving doet geen recht aan een buurschap als een plattelandsorganisatie met waterstaatkundige, bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheden. Buurschap verwijst naar samenwerking van (na)buren  (boeren), de inwoners van een buurschap.

Rond het dorp Elst in de Over-Betuwe lagen tot de tweede helft van de twintigste eeuw negen oude  buurschappen. De gemeente Arnhem annexeerde 1 maart 1966 Elden, Meinerswijk en De Praets en 1 januari 1974 gebied ten zuiden van het dorp Elden. Daaronder vielen het westelijke deel van de buurschap De Laar en het noordelijke deel van de buurschap Rijkerswoerd. De Rijkerswoerdsestraat, de Laarstraat en het verlengde daarvan vormen sindsdien de zuidelijke bebouwingsgrens van Arnhem. Het doel van deze grens is het open landelijke gebied ten zuiden van beide straten te vrijwaren van ongewenste, vooral stedelijke bebouwing. De gemeenten Elst en Heteren moesten 1 januari 1995 bovendien voor de Arnhemse Vinex-woonwijk Schuytgraaf gebied afstaan, waaronder het westelijke deel van De Laar. De gemeenten Elst, Bemmel en Valburg moesten 1 januari 1998 delen van Ressen, Lent en Oosterhout overdragen aan Nijmegen. Die stad wilde beslist ten noorden van de Waal grond voor de fel omstreden Vinex-woonwijk De Waalsprong. De in 1993 vastgestelde Ontwikkelingsvisie voor het Knooppunt Arnhem-Nijmegen hield opheffing in van de Over-Betuwe als open groene buffer tussen Arnhem en Nijmegen. Als compensatie voor de ingrijpende verstedelijking van de Over-Betuwe sinds 1993 dient het regionaal landschapspark Lingezegen, voorheen Over-Betuwe. Twintig jaar later is dit provinciaal verstedelijkingsbeleid zichtbaar grotendeels mislukt en de Over-Betuwe zwaar aangetast.

De bewoningsgeschiedenis van de Over-Betuwe begint in de jonge steentijd (ca. 5000-2000 v. Chr.). Bewoningsmogelijkheden waren door activiteiten van de rivieren beperkt tot  hooggelegen gronden. Omstreeks 50 voor Chr. onderwierpen Bataafse indringers de bewoners in de Rijndelta. Bataven vestigden zich op stroomruggen, oeverwallen en woerden met een bewoningsconcentratie in en rond Elst. Een aantal van deze bewoningscentra ontwikkelde zich tot de kern van tien buurschappen, waaronder Elst. De centrale hoogte in Elst was het Bataafse sacrale centrum. Het centrale openluchtheiligdom op deze plaats lag in het centrum van het Bataafse gebied op een kruispunt van wegen. Deze cultusplaats was ook een offerplaats.

Uit de nevelen van de geschiedenis doemen in schenkingsakten en goederenlijsten de oudste vermeldingen op van Over-Betuwse buurschappen, kerkdorpen en heerlijkheden: 673 Wulfaram (Wolferen); 726 villa Heliste (Elst) of Marithaime; 793 villa Falburc marca (Valburg); 814 Meginhardeswich (Meinerswijk; plaats van Meginhard); 855 Euuci Silec (Eeuwig Slijk of Slijk-Ewijk); 885 Andassale (Andelst); 996 Thrile, later Dreyle (Driel); 1003 Reinwigh (Rijnwijk, Randwijk); tiende eeuw Herveld; 1005 Sethone (Zetten), elfde eeuw Lona (Loenen); eind elfde eeuw Ostreholt (Oosterhout); 1172 Lent, 1188 Hemmen en 1232 Insula de Hetere (Heteren). Villa was de aanduiding voor buurschap of hof. Vóór 1250 waren in de Over-Betuwe vrijwel alle buurschappen ontstaan. 

Elst met buurschappen

Het kerspel of kerkdorp Elst is ontstaan uit de buurschap Elsterdorpsbuurt. De dorpskern lag op een kruising van wegen bij de Bataafse cultusplaats, later de kerk met een kerkhof en enkele gebouwen. Om de Elsterbuurt lagen de buurschappen De Laar, Rijkerswoerd, Aam, Bredelaar, Merm, Reeth, Eimeren, Lienden en Hollanderbroek. De Laar dankt de naam aan veel broekland; Rijkerswoerd aan de naam van een persoon (de woerd van Rijk, Rijkers of Riekers); Aam aan de waterloop de Aam[i]; Bredelaar aan de brede verkaveling-strook voor ontginning; Merm aan het landgoed Marithaime dat Kartel Martel (714-741) 9 juni 726 schonk aan bisschop Willibrord of een nabijgelegen meer; Reeth aan rijden of rijweg; Eimeren ook aan een meer of meren (heim, huis aan meren); Lienden aan het geslacht Van Lynden en Hollanderbroek aan door Hollanders ontgonnen broekland. Hollanderbroek was na de ontginning de grootste buurschap. Die lag tussen de Laarse zeeg ten oosten van de Grote Molenstraat en de Langstraat, de Dorpsstraat en het Vlot. De Laar bestond slechts uit drie boerderijen. Ook Bredelaar en Merm waren kleine buurschappen met enkele boerderijen. De bevolkingsaantallen in omliggende buurschappen schommelden tussen enkele tientallen en tweehonderdvijftig.  Het kerkje in Elst was toegewijd aan St. Maarten. Werenfried predikte op de stroomruggen tussen Elst en Westervoort. Elst viel onder het bisdom Utrecht. 

Openbare lichamen 

Buurschappen vormden economisch en staatsrechtelijk de grondslag van de middeleeuwse samenleving. Ze bleven na de middeleeuwen nog een viertal eeuwen bestaan. Deze buurschappen op hooggelegen stroomruggen, oeverwallen en woerden zijn de oudste vormen van (plattelands)organisatie van de samenleving. Op de Veluwe heten ze maalschappen en in Drenthe en Twente marken. De wordingsgeschiedenis van buurschappen is historisch niet na te gaan door het ontbreken van schriftelijke bronnen. Duidelijk is wel dat buurschappen zich hebben ontwikkeld uit de oudste agrarische nederzettingen. De Vries meent dat buurschappen en burenraden met burenrichters van Germaanse oorsprong zijn. Sommige buurschappen zijn ontstaan uit het Frankische hofstelsel als voortzetting van een hof, curtis (hoofdhof) met bijbehorende villa.[ii] In het hofstelsel verdeelde de leenman zijn leengoed in hoven die anderen (hofheer, villicus, meier) voor hem exploiteerden. Omliggende landerijen mochten zijn ondergeschikten voor zichzelf bewerken. In ruil daarvoor moesten die het hofland of saalgoed voor de leenman bewerken en een deel van de opbrengst van hun landerijen afstaan; vaak 10%. Met dit tiendrecht bond de leenman zijn ondergeschikten aan zijn hof. Deze belangrijke grote boerderijen met bijbehorende grond behoorden vaak aan de landsheer, vrijheer of geestelijke instelling. Een andere ontstaansgrond van buurschappen was ontginning, bijvoorbeeld de buurschap Hollanderbroek bij Elst.[iii] Ontginning was overigens ook van groot belang voor uitbreiding van buurschappen, vooral van de buurschappen De Laar, Rijkerswoerd en Bredelaar.

Buurschappen bestonden uit boerderijen (bouwhoven), hofsteden (kleine boerderijen) en daglonerhuisjes. Soms maakte een klooster deel uit van een buurschap zoals het St. Elisabethklooster in Eimeren. Het was in 1493 door brand zwaar beschadigd en in 1588 verwoest. Elst en omgeving waren in dat laatste jaar verbrand door stropende Spaanse soldaten. Een verhoging in het terrein bij de boerderij  ‘’t Klooster’ herinnert nog aan het verdwenen kloostergebouw. In Rijkerswoerd stond omstreeks 1470 een aan de H. Maagd gewijde buurschapkapel. In 1588 vertrokken de laatste nonnen naar het klooster in Huissen. De naburen gebruikten de Mariakapel tot 1812 als buurhuis.

De bewoners van een middeleeuws buurschap of boerengemeenschap behoorden tot verschillende groepen. De edelman of landsheer woonde meestal buiten de buurschap op zijn landgoed, de havezate (grote boerderij, hof, hofstede, hoeve). De eigengeërfde, eigenerfde of vrije boeren waren eigenaar van hun boerderij met (bouw)gronden. Deze vaak grote boeren hadden bovendien waardelen (aandelen) in een buur- of boermarke, het gemeenschappelijk begrensd en onverdeeld bezit van een buurschap. Dat gebied was gezamenlijk eigendom van de eigenerfde boeren in de buurschap. Die hadden elk een vastgesteld aandeel of waardeel in de marke. De hoeveelheid waardelen die iemand bezat, bepaalde hoeveel macht hij had in de boermarke. Vrije boeren konden gebruikmaken van gemeenschappelijke gronden (broek, weiland (ment(e), meent(e), meint(e)) en bouwland (eng) buiten de kern van de buurschap, de buurmarke. De bewoners van de marke, de markengenoten, hadden ook rechten. Zij mochten daar  een aantal stuks vee laten grazen, een bepaalde hoeveelheid hout sprokkelen of turf steken. Zij hadden de eigenerfde boeren gemachtigd de marke te besturen. Wellicht hadden die vrije boeren die gronden eerst onder hun macht gebracht. Aan het hoofd van de markenorganisatie stond de markenrichter. Eigenerfde boeren die in het bezit waren van een paard, harnas en steek- of slagwapens waren weerboeren. Zij konden opstijgen in de rangen van de lage adel tot ridder (ruiter). Kleine zelfstandige boeren (keuterboeren) hadden wel een eigen boerderij met erf maar bezaten minder dan een kwart waardeel. Pachtboeren of meiers bewoonden een erf dat eigendom was van een ander (edelman, eigengeërfde, kerk, klooster). Landarbeiders waren in dienst van een eigenerfde of een keuterboer. Zij woonden vaak in een huisje met grote moestuin bij de boerderij. Ook geestelijken van een parochie, klooster of kerk konden in de buurschap wonen. Buurschappen waren gewoonlijk te bereiken over smalle paden begrensd door een sloot aan de ene zijde en diepe karrensporen aan de andere zijde. Houten bruggen waren gebouwd over pijpen en (wat grotere) zegen of afwateringssloten.

Buiten de buur- of boermarke lag onontgonnen gebied dat vooral bestond uit komgronden. Het woord ‘laar‘ of ‘laer’ in de buurschappen De Laar en Bredelaar betekent onbebouwde woeste grond, broekland, moerassig land of open plaats in een bos; vooral kreupelbos. Het ontginningsgebied strekte zich in De Laar uit van de huidige Laarstraat naar de Elderwal (Kroonse wal) en van de Griftdijk tot de Grote Molenstraat. Doel van de ontginning was het winnen van weiden voor de veeteelt. Deze in 1879 door de spoorlijn Arnhem-Elst doorsneden buurschap bestond slechts uit drie boerderijen: de Voorste, Middelste en Achterste Laar. Die stonden op de oost-west gerichte rug van vruchtbare moor- of moergrond van waaruit de ontginning plaatsvond. Deze rug strekte zich uit tot in de buurschap Rijkerswoerd. Die buurschap bestond uit de hooggelegen Hoge Woerd ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat; het laaggelegen Broek tussen die straat en de Rijn- en Waalwetering (Linge); en het Polderke ten zuiden van de Waalwetering en ten oosten van de oude Griftdijk. Bewoning was slechts mogelijk in het Polderke en ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat op de hooggelegen woerd. Die heette in de veertiende eeuw ‘het Hoog’ en lag op de rug van moergrond. In het waterrijke Broek was geen bewoning mogelijk. Ontginning vond plaats vanuit de woerd en de hoge rug. Aan beide einden van de huidige Kerkstraat lagen gronden die gemeenschappelijk bezit van de buurschap waren: in het noorden de Gemeinte en in het zuiden bij de Linge de weide het Gemeint. De ontginning door Hollanders van de buurschap Hollanderbroek is duidelijk zichtbaar in het gebied tussen de Hollanderbroeksestraat en de Langstraat in Lienden. Het Hollandse systeem van ontwatering van de broeklanden bestond uit het volgens een vast plan op regelmatige afstand graven van evenwijdige sloten.

In de Over-Betuwe was de buurschap de typische nederzettingsvorm. Die bestond uit bij elkaar liggende boerderijen met bijbehorend bouwland al dan niet met een gezamenlijk veld met bos als achterland. Deze buurschappen waren autonome openbare lichamen met bestuursvormen voor waterstaatszaken, zelfbestuur en rechtspraak. Ze regelden waterkering en –lossing met opgeworpen wallen en een ontwateringstelsel van pijpen, zegen en weteringen. Ze zorgden voor ophoging van hun woonplaatsen en onderhoud van paden en wegen. Buurschappen bouwden in de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw in de ‘landstreek Batua’ dijken en groeven in 1244 een centraal afwateringskanaal; waarschijnlijk onder gezag van de graaf van Gelre. Die was sinds de dertiende eeuw de grootste grondbezitter in deze landstreek. Dit afwateringskanaal bestond uit de smalle noordelijke Rijnwetering en de brede zuidelijke Waalwetering gescheiden door een aarden wal, de ‘Wetteringsewal’. 

Het Lingekanaal voert water af naar de Linge, een zijrivier van de Waal, die uitmondt in de Merwede bij Gorinchem. Het afwateringskanaal is een samenraapsel van natuurlijke rivierlopen en gegraven weteringen dat in verbinding staat met een ingewikkeld stelsel van watergangen. Daartoe behoorden tocht- of leigraven (geleide gegraven waterloop), pijpen, zegen en sloten. Buurschappen zorgden voor het onderhoud. Het kanaal kreeg zijn huidige breedte in 1951/52 bij een grootschalige verbetering van de waterafvoer. Die bestond uit het afsnijden van bochten, uitdiepen van het waterbed, opruimen van de dam en de bouw van acht stuwbruggen. De inlaat bij Doornenburg, het  mr. G. J. H. Kuijk-hulpgemaal (1953) in Lakemond en het dr. G. Kolffgemaal (1945) in Neder-Hardinxveld dragen bij tot behoud van een hoog waterpeil in het kanaal. Dat is noodzakelijk voor de Over-Betuwse bodemcultuur.

Een buurschap was, zoals vermeld, het laagste openbare bestuursorgaan en de laagste autonome rechtskring. Naast een vorm van zelfbestuur en rechtspraak had de buurschap een collectieve waterstaatstaak. Die omvatte de zorg voor wallen, dijken, wegen, pijpen en zegen (waterafvoerende sloten). Grondeigenaren hadden zich verenigd ter behartiging van gemeenschappelijke belangen, vooral waterstaatszorg, veiligheid en orde (rechtspraak) en bestuur. De geërfden vergaderden in de geërfdenvergadering of –dag en met de andere buren in burenraden op de buursprake of ommestand. De buren maakten daar afspraken of zorgden voor ‘wetgeving’. Twee gekozen buur- of boermeesters vormden het dagelijks bestuur van de buurschap. Zij hadden uitvoerende macht voor voornamelijk waterstaatszorg en burgerlijk bestuur. Deze buurmeesters vertegenwoordigden de geërfde grondbezitters en het gemene volk dat gebruik maakte van gemene gronden (gemeenschappelijk bezit van de buurschap). Burenrichters voerden besluiten van het op mondelinge tradities gebaseerde buurschapsgericht over rechtspraak uit.  Sommige buurschappen ontwikkelden zich sinds de twaalfde eeuw tot een kerspel (karspel) of kerkdorp (kerkgemeente, parochie), vaak met een kerk en een school. Soms omvatte een kerspel verscheidene buurschappen, zoals Elst. Kerspels maakten deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom, zoals Elst, Elden en Lent. De inwoners heetten kerspellieden. Door hen gekozen buurmeesters hadden waterstaatstaken en bestuurden het kerspel, vaak met het kerkbestuur. Een kerspelrichter sprak recht. 

Centralisatie

Kenmerken van de late middeleeuwen (1250 tot 1500) waren  opkomst van nationale eenheidsstaten; een begin van centralisatie van bestuur; toenemende verstedelijking en handel; heropleving van de geldhandel; economische crises en hongersnoden; afbrokkeling van het feodale stelsel en daarmee van de macht van de adel. Andere kenmerken waren de reformatie, het humanisme, de renaissance en strijd tussen kerk en staat. In verschillende gebieden vestigde zich een al dan niet sterk centraal gezag. Die centralisatie betekende een beperking van het gezag van lokale buurmeesters en gerichtslieden. Noodzakelijk was een centrale regeling voor onder andere dijkwezen, waterafvoer en rechtspraak. De macht van graven en hertogen nam toe. Een groot deel van het gebied tussen Rijn en Waal was bezit van de graven van Gelre.

Van 1327 tot in de negentiende eeuw kende de Over-Betuwe drie (betrekkelijk) autonome bestuurscolleges: buurschap, kerspel en ambt. Reinoud (Reinald) II de Zwarte (ca. 1295-1343) was van 1326 tot 1339 graaf.  Keizer Lodewijk de Beier verhief hem in 1339 tot hertog (van Gelre). In 1327 maakte landsheer Reinoud een einde aan de gouw Batua, Batue of Betuwe als één bestuursonderdeel. In zijn land- en dijkbrief van 11 december 1327 introduceerde hij een bestuurlijke indeling met gecentraliseerde bevoegdheden voor burgerlijk bestuur, waterstaatszaken en rechtspraak. Hij verdeelde het gebied tussen de Neder-Rijn en de Waal in de ambten Over-Betuwe[iv], Neder-Betuwe en de met de Bommelerwaard verbonden Tielerwaard. De Tielerwaard behoorde in de middeleeuwen bij het graafschap Teisterbant. Reinoud legde het ambt als een deken over de kerspels en buurschappen.

De ambtman vertegenwoordigde in het ambt de soeverein en behartigde diens belangen. Gecentraliseerde bevoegdheden voor bestuur, waterstaatszaken en vooral rechtspraak waren in zijn functie verenigd. Hij had voornamelijk uitvoerende macht en leidde de colleges voor burgerlijk bestuur, waterstaatszorg en rechtspraak. Hoofdambtenaren waren de secretaris of landschrijver, de gericht- of dijkschrijver en de land- of dijkbode of dijkschout. De ambtman was de hoogste bestuursambtenaar die later in het ambtsbestuur hulp kreeg van ambtsjonkers, leden van de Over-Betuwse ridderschap of landadel. Hij vormde als dijkgraaf met vijf heemraden de dijkstoel, het dagelijks bestuur van het waterstaatsbestuur. Als dijkgraaf moest hij zorgen voor het onderhoud van de dijken en de waterlossing en toezicht houden op het onderhoud van wegen. Hij was bovendien richter (rechter) en fungeerde als openbaar aanklager en voorzitter van de rechtbank. Hij had hulp van vier richters (deurwaarders of peynders), de latere schouten. De ambtman-richter-dijkgraaf zetelde in Andelst, Valburg of Elst. Vergaderingen waren in Elst en Bemmel, sinds de achttiende eeuw alleen in Elst. Tweemaal waren er gewone gerichtsdagen voor het bespreken van zaken van het ambt. De ambtman besprak deze met leden van de ridderschap die daarvoor in aanmerking kwamen en twee stedelijke afgevaardigden. Er werd ook recht gesproken. Er waren twee gerichts- of rechtbanken. De rechtbank in Andelst ging in 1446 naar Valburg en in 1686 naar Elst. De oorspronkelijk Kleefse rechtbank in Ressen ging in 1611 naar Bemmel en in 1721 naar in het 1694 aangekochte huis voor het Ambtshuis in Elst. Deze rechtbanken met gerichtsluiden in schoutambten namen criminele rechtspraak over van de buurschapsgerichten.  

Een verdachte kon soms gebruikmaken van het recht van appèl. Hoger beroep was mogelijk bij de zogenaamde klaring of klaarbank, die de landsheer of diens plaatsvervanger voorzat. Klaring voor de Over-Betuwe vond plaats op de Praets in de heerlijkheid Meinerswijk. Klaren betekent rechtspreken in hoger beroep. De klaarbank van Over-Betuwe op de Praets te Meinerswijk werd in 1383 het hemael of heymael  genoemd. De klaarbank kwam uitsluitend bijeen als er beroepszaken waren. Aanwezig in de Praets waren de landvorst of diens zaakgelastigde en  afgevaardigden van de ridderschap en steden, onder wie twee schepenen van Arnhem. De uitspraken van de klaarbank waren bindend. De zittingen werden gehouden op een weide op een oeverwal of in een herberg nabij het veer. In 1668 was de laatste zitting op de Praets. De Gelderse Landdag of de Staten van Gelre en Zutphen bepaalde in 1676 dat beroep uitsluitend mogelijk was bij het Hof van Gelre en Zutphen.[v]

De rechtspraak in het ambt had een onderverdeling in pander- (peijnder-) of schout (schol)ambten (combinatie van kerspels) en die later in onderschoutambten (kerkdorp). Aan het hoofd van het schoutambt stond de ambtsschout (sculetus, schult, scholt, scholtus). Hij vertegenwoordigde op lokaal niveau (kerspels) de ambtman. De ambtsschout fungeerde als deurwaarder (peynder) en richter en had de zorg voor de openbare orde. Hij sprak recht in minder belangrijke zaken, bijgestaan door de gerichtsnaburen (soort gemeenteraad), gerichtsluiden of eigenerfde boeren, de latere schepenen. De ambtsschout was met de twee buurmeesters in een dorp verantwoordelijk voor lokale voorzieningen. Er waren meer door de landsheer benoemde functionarissen, onder wie de borgemeester die als beheerder van de dorpsfinanciën met zijn persoonlijk vermogen borg stond voor lokale tekorten. Schout en schepenen zorgden voor bestuur, ordehandhaving en rechtspraak. Zij waren doorgaans een onderdeel van een grotere bestuursstructuur, zoals het drostambt. De ontwikkeling van een dorp begon overigens pas in de negentiende eeuw.

De autonome buurschappen kregen na 1327 ook medebewindstaken opgelegd. Er trad uiteraard een zekere spanning op tussen autonomie en medebewind. Medebewindstaken waren onder meer het meewerken aan aanslag en inning van belastingen, inkwartiering van soldaten en in tijd van nood oproepen van weerbare manschappen voor de dijkbewaking en –versterking (klokkenslag). Tot deze taken behoorden ook het onderhoud van dorpsstraten, zorg voor de Elster paardenmarkt en een subsidie voor de vroedvrouw. Buurmeesters moesten jaarlijks in handen van de ambtman de eed afleggen dat zij hun kerspels en buurwerken op de minst kostbare wijze zouden doen maken en onderhouden.[vi] Van 1684 tot 1838 moest een buurschap de twee buurmeesters kiezen uit een voordracht van de ambtman. Buurmeesters werden geleidelijk functionarissen van de schout, ambtman of landsheer. De waterstaatstaak was de belangrijkste. De land- en dijkbrief van 1383 bepaalde dat een buurschap of kerspel verantwoordelijk was voor verlaten dijkvakken. In de buurschappen hieven de twee buurmeesters dorpslasten. Daar functioneerden dus twee buurmeesters en soms ook een schout. De Landsbrieven van 1445 en 1493 spraken over twee buurmeesters per buurschap of kerspel met een bode.

Het Ambt Over-Betuwe bestond uit vijf schoutambten: Heteren, Valburg, Elst, Bemmel en Herwen en Aerdt (tot 1818). Onder het schoutambt Bemmel vielen Bemmel, Angeren en Doornenburg. Het schoutambt Heteren omvatte de kerkdorpen Heteren, Driel en Randwijk en de buurschap Lakemond. Onder het schoutambt Valburg vielen de kerkdorpen Andelst, Herveld, Oosterhout, Slijk-Ewijk, Valburg en Zetten. Het schoutambt Elst bestond uit de kerkdorpen Elst, Elden en Lent en de negen buurschappen. Dit schoutambt reikte dus van de Neder-Rijn tot de Waal. Stedelijke expansie zou hieraan in 1966 en 1998 een einde maken. De indeling in schoutambten heeft zich op hoofdlijnen eeuwenlang kunnen handhaven. Het schoutambt was een lokale bestuursvorm uit de periode van het oude bestuur tussen het einde van de middeleeuwen (ca. 1500) en de Franse tijd (1795).

Enclaves in het rechtsgebied van de ambtman waren de hoge heerlijkheden Loenen en Wolferen, Hemmen, Homoet, Indoornik, Pannerden, Hulhuizen, Meinerswijk (Praets). Gendt, Ressen en Doornik. Deze zelfstandige rechtsgebieden van een kleine landsheer of vrijheer hadden eigen bestuur en rechtspraak. Natuurlijk was de heer de belangrijkste en vaak de enige geërfde. Loenen en Wolferen en Indoornik waren lenen van de graaf van Kleve. Ook Huissen, Hulhuizen en Malburgen waren Kleefse enclaves. Homoet was van 1347 tot 1486 een leen van de heren van Homoet en na 1488 van graaf Van de Berg, heer van ’s-Heerenberg. Hemmen behoorde al in 1390 aan de adellijke familie Van Lynden.  Het buurbestuur met onder anderen buurmeesters viel in die heerlijkheden samen met het ambtsbestuur. De gerichtsbank was aangesteld door de heer. Als ambtman had hij enige en als dijkgraaf grote invloed.

Sinds de 14de eeuw bestond het Hertogdom Gelre uit vier kwartieren: het kwartier van Zutphen;  Veluwe (Arnhem); Nijmegen met het plattelandsgebied tussen de Rijn en de Waal; en het Overkwartier van Gelre (Gelder; Roermond) met omliggend land. Deze kwartieren zonden hun vertegenwoordigers naar de Staten van de Kwartieren. Een college van gedeputeerden droeg zorg voor de afwikkeling van zaken die een kwartier betroffen. Een schout die onder meer hulpofficier van justitie was, moest op de naleving van wetten letten en misdadigers voor voor het gerecht brengen. Hij was ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de wegen tussen verschillende dorpen in zijn schoutambt Daarvoor kon hij inwoners oproepen om mankracht te leveren. In elk kerkdorp was meestal een onderschout. Eens per jaar was er een landgericht in het schoutambt over civiele kwesties die in de dorpen leefden. Voor zware overtredingen was er de rechtbank van het ambt en voor misdrijven sinds 1544 het Hof van Gelre en Zutphen. De Staten van de Kwartieren vormden met stemhebbende steden en de ridderschappen de Staten van Gelre en Zutphen, het hoogste bestuursorgaan van Gelre. 

Van de basis naar de top liep de lijn van buurschap (buurmeesters) – kerkdorp (buurmeesters) - schoutambt (schout) – ambt (ambtman) – kwartier (staten) naar hertogdom (hertog).

Het Kwartier van Nijmegen bestond uit de steden Nijmegen, Gendt, Tiel en Zaltbommel en het platteland dat verdeeld was in zeven ambten met een Ambtsbestuur.  Die ambten waren Rijk van Nijmegen, Maas en Waal, Over-Betuwe, Neder-Betuwe, Tieler- en Bommelerwaard en Beesd en Rhenooi. De Over-Betuwe kreeg omstreeks 1650 een eigen dijkgraaf. Het bestuur van het Nijmeegse kwartier bestond na de middeleeuwen uit afgevaardigden van steden en ridderschap.

Op basis van de land- en dijkbrief van 1445 verschenen in de ambtsvergadering van de Over-Betuwe drie Over-Betuwse ambtsjonkers (edelen uit het ambt) en twee stedengezanten: een uit Arnhem en een uit Nijmegen. Die gezanten moesten in hun stad schepen of raadslid zijn en twintig morgen land in de Over-Betuwe bezitten. Zij moesten stedelijke belangen behartigen en konden ook een heemraadplaats innemen. Omstreeks 1532 kregen de ambtsjonkers belangrijke bestuurstaken als leden van het landgericht. In 1579 worden zij ook betrokken bij het vaststellen van de aanslagen voor de personele belasting. In de Bataafse Republiek verliezen de ambtsjonkers in 1795 hun functie.

Kenmerkend voor het oude bestuur was de geringe politieke invloed van de opkomende burger, ambachtsman en arbeider. Daartegenover stond de te grote invloed van adel en hoge geestelijkheid. Op het platteland bestond een grote tegenstelling tussen boeren en grootgrondbezitters. Een feodaal dorpsheer kon wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht uitoefenen.

In 1588 namen de Staten van Gelre de plaats in van de landsheer. De Gelderse Staten benoemden voortaan de ambtman. In die Staten van Gelre zaten afgevaardigden van het platteland en de stemhebbende steden.

Tijdens de Bataafs-Franse tijd van 1795 tot 1813 introduceerde de Staatsregeling van 4 mei 1798 acht departementen en lokale besturen. De regeling introduceerde ook het begrip municipaliteit (gemeentebestuur in plaats van ambt) en sprak over gemeenten in staatkundige zin. De ambtman verloor zijn rechterlijke macht. De Staatsregeling van 1801 bracht een nieuwe departementale indeling van de Bataafse Republiek. De inlijving bij het Keizerrijk van Napoleon van 1811 tot 1813 bracht de Franse bestuursindeling met departementen, arrondissementen, kantons en mairies. Een mairie (gemeente) stond onder leiding van een maire (burgemeester) en viel in de Over-Betuwe samen met een schoutambt.  De mairie Heteren behoorde tot het kanton Elst, arrondissement Tiel en departement Boven-IJssel. Deze mairie omvatte Driel (633 inwoners), Heteren (454), Homoet (116) en Indoornik (115). Lakemond en Randwijk (406) vielen onder de mairie Hemmen. Onder de mairie Elst vielen de kerkdorpen Elst, Elden, Lent,  de negen buurschappen rond Elst en Meinerswijk (45). In 1808 telde de gemeente Elst 2971 inwoners: Elst 563, Elden 525, Lent 843, De Laar 26, Rijkerswoerd 109, Aam 128, Bredelaar 36, Merm 28, Reeth 134, Eimeren 84, Lienden 252 en Hollanderbroek 243. Valburg had 500 inwoners, Andelst 336, Zetten 325, Slijk-Ewijk 290, Loenen 91 en Wolferen 14.[vii] 

In 1811 verloor de buurschap haar rechterlijke bevoegdheden aan het kantongerecht bij de scheiding van burgerlijk bestuur, rechtspraak en waterbeheer/waterschapsbestuur. Heerlijkheden gingen op in een gemeente. De ambtman verloor zijn bestuurstaken en was alleen nog dijkgraaf.

Koning Willem I vaardigde bij Koninklijk Besluit van 11 februari 1817 het Reglement voor het platteland van Gelderland uit. Dat trad 1 januari 1818 in werking en bracht onder meer de dijkgraaf met het college van hoofdingelanden. De titel van burgemeester kwam in de plaats van die van de schout. De Kleefs-Pruisische enclave Huissen kwam in 1816 bij Nederland. Herwen en Aerdt ging in 1818 naar het kanton Zevenaar. Het Ambt Over-Betuwe was vervangen door het hoofdschoutambt, de ambtman door de hoofdschout die vooral dijkgraaf was en de maire door de schout of burgemeester. Het drost- of hoofdschoutambt Over-Betuwe bleef verdeeld in zes schout- of richterambten (lokale bestuursvormen): Elst, Heteren, Valburg, Bemmel, Gendt en Huissen. Het schoutambt Elst bestond uit de (kerk)dorpen Elst, Elden en Lent en de negen buurschappen. Het schoutambt Heteren omvatte de (kerk)dorpen Heteren, Driel, en Randwijk, de buurschap Lakemond en de heerlijkheid Indoornik. Tot het schoutambt Valburg behoorden de (kerk)dorpen Valburg, Andelst, Herveld, Oosterhout, Slijk-Ewijk en Zetten. Er waren nog twee hoge heerlijkheden: Loenen en Wolferen en Hemmen.

Het Reglement op het beheer der rivierpolders in de provincie Gelderland van 1837 trad 1 januari 1838 in werking. De buurschappen werden omgezet in dorpspolders. Deze publiekrechtelijke lichamen behielden uitsluitend waterstaatstaken. Het buurschapbestuur werd omgezet in een polderbestuur met drie door de kiesgerechtigde geërfden gekozen poldermeesters ( de oude buurmeesters) en een met censuskiesrecht gekozen polderraad. Gekozen geërfden behartigden daarin met de poldermeesters de zaken van de polder. Deze polderraad verving de geërfdenvergadering of -dag. De poldermeesters moesten wel hun begroting en jaarrekening ter goedkeuring voorleggen aan de geërfdenvergadering.  De dorpspolders vielen onder een polderdistrict (het oude ambt) met een dijkstoel dat met het college van hoofdgeërfden het Gecombineerd College vormde. In 1953 gingen de dorpspolders over naar  het polderdistrict om de problemen van de ontwatering te kunnen aanpakken.

De grondwet van 1848 sprak opnieuw van gemeenten en gemeentebesturen en eiste voor gemeenten een wettelijke regeling. De gemeentewet van 1851 naar een ontwerp van mr. J. R. Thorbecke maakte een einde aan de wettelijke verschillen tussen stad en platteland. De gemeente Loenen en Wolferen ging in 1854 en de gemeente Hemmen in 1955 over naar de gemeente Valburg. Een belangrijk element was het censuskiesrecht. Kiesrecht voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraad was uitsluitend voorbehouden aan mannen boven de 23 jaar die voor een bepaald bedrag in de directe belastingen werden aangeslagen. Tien procent van de mannen kreeg kiesrecht. Dat percentage was in 1880 12 en  in 1890 14. Uitbreiding van het kiesrecht in 1896 leidde in 1900 tot 49%, in 1913 tot 65% en in 1916 tot 70% kiesgerechtigde mannen. In 1917 volgde invoering van het algemeen (actief en passief) mannenkiesrecht en actief kiesrecht voor vrouwen. Vrijwel alle volwassen mannen vanaf 24 jaar die konden lezen en schrijven en niet afhankelijk waren van de armenzorg kregen kiesrecht. In 1963 ging de kiesgerechtigde leeftijd omlaag naar 21 jaar en in 1972 naar 18 jaar. Tegelijkertijd met het kiesrecht zonder voorwaarden kwam er voor vrouwen wel passief stemrecht, d.w.z. dat ze wel verkiesbaar waren, maar zelf niet mochten stemmen. In 1918 kwam de eerste vrouw in de Tweede Kamer, namens de SDAP. In 1919 kwam er ook algemeen vrouwenkiesrecht. 

Grenspalen in het talud van de Waaldijk   

De buurschappen, ook die in de Over-Betuwe, zijn als openbare of publiekrechtelijke lichamen in drie fasen ontbonden. De bestuurlijke bevoegdheden gingen in 1798 naar de gemeente, de  rechterlijke in 1811 naar het kantongerecht en de waterstaatkundige in 1953 naar het Polderdistrict Over-Betuwe.

Aan de voormalige dorpspolders en buurschappen herinneren nog grenspalen. Die staan aan de landzijde in het talud van de Waaldijk tussen Oosterhout en Dodewaard en van de Drielse dijk tussen Driel en Elden. Deze witte ijzeren palen markeerden eeuwenoude grenzen tussen de buurschappen/dorpspolders Oosterhout, Slijk-Ewijk, Loenen en Wolferen, Andelst en Dodewaard en Elden en Driel. De palen zijn uniek in de regio en in de uitvoering van ijzer. Ze zijn dan ook van grote cultuurhistorische waarde. De palen langs de Waaldijk hebben de status van rijksmonumenten. De palen zijn witgepleisterde zuilen op lage sokkels met een hoogte van zestig cm. De vierkante grondvorm heeft afgesneden hoeken. De zuil is aan de bovenzijde afgeplat. De vier zijden hebben een trapeziumvormig verdiept veld waarin uitsluitend aan de twee zijden die haaks op de dijk staan de sjabloon geschilderde namen voorkomen: Oosterhout, Slijk-Ewijk, Loenen, Wolferen, Andelst en Dodewaard, Elden en Driel.

-         Brouwer, J. Een Eeuw Elst. Elst, 1984.

-         Brouwer, J. Overbetuwe. Het grondgebied van de huidige gemeente Overbetuwe in de periode 1950 tot 1970. Van wederopbouw naar ontsluiting. Zaltbommel, 2007, 17, 52-53.

-         Buddingh, D. Wandelingen door de Betuwe ter opsporing van Germaansch-Bataafsche en Romeinsche Oudheden 1854-1860. Tiel, 1861/1865.

-         Fockema Andreae, S. J. Uit de Overbetuwe, BMG XXXIX (1936), 13-28-32. In: Handelingen en Levensberichten 1934-1935. Mij. der Ned. Letterkunde te Leiden, 83-98.

-         Heldring, O. G. Wandelingen door de Betuwe ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden. Amsterdam 1838/39.

-         Hol, A. R. De Betuwe. Leiden, 1957.

-         Martens van Sevenhoven, A. H. Een keuze uit zijn geschriften. Arnhem, 1977, nr. 35: Schets van de geschiedenis der burgerlijke gemeenten in Gelderland vóór de invoering der gemeentewet van 1851, 203-257.

-         Mentink, G. J. en J. van Os. Over-Betuwe. Geschiedenis van een polderland, 1327-1977. Zutphen, 1985.

-         Vries, W. de, Bijdragen tot de Geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland, BMG XLVIII (1944) 1-20; XLIX-LX (1965), 73-75. LXII (1965/67) 64-65.

-         Wolf, J. G. C. de, F. J. G. Hoogveld en D. Herberts (red.).  Het dorp Elst en de Elster buurschappen. Een bewoningsgeschiedenis van  J. S. van den Hof. Elst, 2004.


[i] Het Westeraam, school voor vmbo in Elst, heeft bij de naamkeuze onvoldoende oog gehad voor ‘Aam’ als naam van een waterloop. Rivieren krijgen immers  het lidwoord ‘de’: de Aam, de Linge, de Neder-Rijn.

[ii] De Vries, Martens van Sevenhoven, Hol.

[iii] Fockema Andrea schreef al in 1936 over de Overbetuwe in plaats van de Over-Betuwe. De gemeente Overbetuwe in de landstreek de Over-Betuwe bestaat echter pas sinds 2001. Deze fout komt tegenwoordig ook nog veelvuldig voor. Gemeentenamen krijgen echter geen lidwoord, namen van landstreken wel.

[iv] Boven-Betuwe is ook een juiste benaming. Oost- en Midden-Betuwe zijn onjuiste zelfverzonnen benamingen.

[v] Terugblik ‘Niets nieuws onder zon’, Jaarboek Tabula Batavorum, nr. 3 (2002), 26-27.

[vi] Archief Polderdistrict Over-Betuwe, 1400-1837, inv. nr. 3621.

[vii] Brouwer, Een Eeuw Elst, 35-37.