dr. Jan Brouwer: Basis voor regionaal landschapspark Lingezegen nog steeds niet gelegd

Ontwerp voor het landschapspark in 2005.

Over ontstaansgeschiedenis, aard en doel van het ‘regionale landschapspark Lingezegen’ annex groene bufferzone bestaat veel onkunde, zelfs bij het bestuur en het speciaal opgetuigde parkbureau in Elst. Realisering van het landschapspark wordt blijkbaar overgelaten aan niet ter zake kundige ambtenaren en bestuurders. Historische en geografische kennis van het te ontwikkelen gebied ontbreekt evenals van de ontstaansgeschiedenis van het landschapspark en deskundigheid over landschapsontwikkeling. Het bureau spreekt nog steeds over uitloopgebied in plaats van landschapspark en over de ligging van het toekomstige boslandschap De Park tussen de Arnhemse wijk Schuytgraaf en Elst. Het totale westelijke deel van het landschapspark ligt echter in Elst, dus ook de Rijkerswoerdse Plassen. Het komgrondengebied in deelgebied De Park lijkt op een slecht ontwikkeld stadspark in plaats van op het beoogde (natte) loofbos met essen, iepen, eiken en langs het Romeinse Lint kastanjebomen (slechts ongeveer vijftig). Stedelijke voorzieningen als evenemententerrein en hondenspeelveld horen niet in een landschapspark. Hondenspeelveld, voedselbossen en moestuin zijn in strijd met de vastgelegde bestemming loofbos respectievelijk natuur in het bestemmingsplan. Voedselbossen en moestuin kunnen eventueel naar het Over-Betuws agrarisch landschap (Landbouwland). Het Vierdaagsebos hoort niet in Landbouwland, maar in beginsel in boslandschap De Park. Het parkbureau had problemen met het bepalen van de lengte van een aan te leggen brug over de Linge, was slordig met asbest in het waterlandschap (Waterrijk) en heeft problemen met het opruimen van zwerfafval en ander vuil. Zelfs vier meter hoge houten torens krijgen een plaats in een boslandschap in aanleg. Triest.

Gedeputeerde Josan Meijers (PvdA) beweert abusievelijk dat de basis is gelegd voor het regionale landschapspark Lingezegen in aanleg. Dat is onjuist. De basis is zelfs nog niet gelegd voor de beoogde landschapsontwikkeling van agrarisch gebied naar een bos- en een waterlandschap. Het bestuur en de parkorganisatie van dit landschapspark in aanleg treuzelen wel heel erg lang met de aanleg van Over-Betuws loofboslandschap De Park; Over-Betuws waterlandschap Waterrijk (Rijkerswoerd, 't Broek); en Over-Betuws agrarisch landschap (Landbouwland) ten oosten van de A325. Het tast wel het bestaande landschap aan met allerlei wandel-, fiets- en ruiterpaden (zonder de uitwerpselen buiten die paden op te ruimen); hondenspeelveld (stedelijke wijkvoorziening in strijd met bestemming natuur); evenementen, evenemententerrein (stedelijke voorziening) en vaarwegen. Het zogenaamde landschapspark dreigt te ontaarden in een stadspark en uitlaatgebied voor honden.

Deze ontwikkeling is in strijd met de gemaakte afspraken over het te ontwikkelen landschapspark. De basisuitrusting van het landschapspark is in 2017 dan ook nog lang niet klaar: de drie afgesproken landschappen zijn immers nog niet aangelegd. Herstel is slechts mogelijk door de drie vereiste landschappen alsnog aan te leggen. Daarin was ook extensieve recreatie voorzien. Altijd beter dan uitsluitend en vooral intensieve recreatie. Het is dan ook beter voortaan eerst de compensatie overeenkomstig de afspraken te realiseren en in dit geval dan de verlangde woningbouw. 

Velen begrijpen nog steeds niet dat landschapspark Lingezegen compensatie aan de voormalige gemeenten Elst en Bemmel is. Compensatie voor de zware aantasting en vernietiging van fraai Over-Betuws landschap door verstedelijking. Deze compensatie bestaat uit het inrichten van landelijk gebied van Elst en Bemmel (de grondgebiedgemeenten) ten noorden van deze dorpen als landschapspark en groene bufferzone tegen verdere verstedelijking. 

Tot omstreeks 1990 had het centrale deel van de Over-Betuwe in de provinciale streekplannen de functie van open, groene buffer tussen Arnhem en de Waal. In 1990 stemden Provinciale Staten in met het Ontwikkelingsvisie Knooppunt Arnhem-Nijmegen. De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex, 1991) bevatte uitgangspunten voor de bouw van woningbouwlocaties voor de periode 1 januari 1995 tot 1 januari 2005. Voor enkele stedelijke gemeenten werd zelfs de richting van de stadsuitbreiding aangegeven. Formeel bepalen echter de provincie en samenwerkende gemeenten de locaties. Die locaties kregen al snel de aanduiding Vinex-locaties of Vinex-wijken. Bij het verstedelijkingsbeleid of verstedelijkingsoperatie maakten rijk, provincie en knooppunt Arnhem-Nijmegen rond 1992 afspraken over compensatie voor de verregaande verstedelijking van het fraaie Over-Betuwse landschap. Nijmegen wilde een Waalsprong door annexatie van Lent. Arnhem wilde een Spoorsprong (later: wijk Schuytgraaf) door annexatie van het westelijk deel van buurschap De Laar (gemeente Elst) en grondgebied van de gemeente Heteren. De provincie ging met beide wensen akkoord en ‘joeg’ twee gemeenten voor stadsuitbreiding de Over-Betuwe in. Een blunder, gelet op landschap en milieu! 

De vereiste afspraken kregen hun neerslag in het Streekplan Gelderland 1996 en het Regionaal Structuurplan Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN) 1995-2015. De verlangde compensatie aan de gemeenten Elst en Bemmel in de Over-Betuwe was uiteraard de absolute voorwaarde voor de gewenste verstedelijking. Alle betrokkenen kregen een compensatieverplichting bestaande uit financiering van kwalitatief hoogwaardige landschapsontwikkeling in het te realiseren ‘regionale landschapspark Over-Betuwe’ (later ‘Lingezegen’). Het Rijk stelde in 1995 (bevestigd in 2002) als compensatie voor de verstedelijking een bijdrage beschikbaar uit het budget voor strategisch en regionaal groen (vlakgroen) en corridorgroen (verbindingen). Het betaalde voor het strategisch groenproject de aankoop van 470 hectare strategisch groen voor 100% en 70 hectare corridorgroen voor 50%. Voor de uitwerking en financiering zorgden de gemeenten Arnhem, Nijmegen, Elst (2001: Overbetuwe) en Bemmel (2001: Lingewaard), waterschap en het KAN onder voorzitterschap van een lid van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. Voor de financiering van de regionale bijdrage was de volgende verdeelsleutel vastgesteld: provincie en waterschap 50%, KAN 30%, Arnhem en Nijmegen 12,5% en Overbetuwe en Lingewaard 7,5%. Het Rijk kwam zijn afspraken na; de regio niet. 

Deze compensatie of verevening voor de zware en onnodige aantasting van het Over-Betuwse landschapsschoon door verstedelijking bestond uit behoud van een groene buffer van ruim 1100 hectare tussen de te verstedelijken gebieden (stedelijk uitloopgebieden De Woerdt bij de Waalsprong en Hulhuizen in Arnhem met voornamelijk een recreatieve functie niet meegerekend). Deze groene bufferzone op grondgebied van de huidige gemeenten Overbetuwe en Lingewaard moest verdere verstedelijking tegengaan en gericht zijn op kwalitatieve landschapsontwikkeling. De buffer of ’t buffertje’ was in feite het schamele restant van de befaamde groene bufferzone in de Over-Betuwe tussen de Neder-Rijn en de Waal. De strategische groene buffer ligt in de grondgebiedgemeenten Elst (Overbetuwe) en Bemmel (Lingewaard). Sinds de annexatie door Arnhem van de polder Meinerswijk en Elden en omgeving in 1966 en 1974 (gemeente Elst) weert Elst in het agrarische gebied tussen Arnhem en het dorp Elst niet-agrarische bebouwing. Sinds 1 januari 1974 moet de bebouwingsgrens ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat en De Laar en het verlengde daarvan niet-agrarische bebouwing ten zuiden van deze grens voorkomen.           

Het doel van de compensatie was de aanleg van een karakteristiek kwalitatief hoogstaand Over-Betuws bos- en waterlandschap met behoud van agrarisch landschap ten oosten van de A325. Het beoogde regionale landschapspark zou bestaan uit drie karakteristieke Over-Betuwse rivierenlandschappen: een (vochtig) loofboslandschap (De Park), een water- en natuurlandschap (Rijkerswoerd, het Broek, Waterrijk) en een agrarisch landschap (Landbouwland). De bedoeling was de aanleg van grote eenheden bos, water en natuur. Het loofboslandschap zou verrijzen in De Perk of De Parck (omheind gebied) tussen Laarstraat, Rijksweg-Noord, Linge en Grote Molenstraat. Het zou bestaan uit essen, iepen, eiken en langs het Romeinse Lint kastanjebomen. Het water- en natuurlandschap zou komen in het Broek (laaggelegen moerassig gebied), het zuidelijke deel van de buurschap Rijkerswoerd tussen Rijkerswoerdsestraat en de Linge. Het zou bestaan uit nieuwe waterlopen, vergroting van de Rijkerswoerdse plassen, rietmoeras en wilgenbossen. Het grondgebonden agrarisch landschap ten oosten van de A325 zou kwalitatief verbeterd worden. In deze hoogkwalitatieve landschappen zou uitsluitend extensieve recreatie (net van wandel-, fiets- en ruiterpaden) zijn toegestaan. De intensieve recreatie aan de noordzijde van de Rijkerswoerdse plassen mocht blijven bestaan. De huidige en nieuwe kwaliteit van het landschap werd gezien als de belangrijkste drager van de recreatieve ontwikkeling. De hoofddoelen van het landschapspark zijn realisering van een groene buffer en schakel tussen verstedelijkte gebieden en dorpen. Die buffer moet aantrekkelijk zijn voor recreanten uit de regio; de ecologische structuur versterken en een ontwikkeling naar een aaneengesloten verstedelijkt gebied tegengaan. Eisen voor de inrichting van het landschapspark met een landschappelijke hoofdfunctie zijn de aanleg van grote eenheden bos, water en natuur; behoud en herstel van de kwaliteit van het Over-Betuwse rivierenlandschap; versterking van extensieve recreatieve mogelijkheden; duurzaam waterbeheer; verbetering van de toegankelijkheid; en grondgebonden landbouw die bijdraagt aan de kwaliteit van het landschapspark. Natuur- en cultuurelementen; bos-, water- en landbouwlandschappen en het zichtbaar maken van oeverwallen, stroomrug- en komgronden, woerden en afwateringsstelsels moeten een belangrijke bijdrage leveren aan verhoging van de kwaliteit van het landschapspark. 

In dat landschapspark past uiteraard geen verstedelijking of stedelijke voorzieningen, in welke vorm ook. Dus geen evenemententerrein, stadspark, mozaïekpark, hondenspeelveld (in strijd met bestemming natuur), volks- of moestuinen en geen stedelijk uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio als hoofdfunctie van het landschapspark. De landschappelijke hoofdfunctie van het landschapspark dient onaangetast te blijven. Opmerkelijk is dat in 2007 nog gesproken werd over de drie Over-Betuwse landschappen. 

Ommekeer door onkunde, onjuistheden en onbegrip 

Sinds 2008 is het regionale landschapspark Lingezegen steeds verder verwijderd geraakt van de oorspronkelijke afspraken en opzet. Het is zelfs ontaard in een soort stedelijk uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio. De landschappelijke hoofdfunctie lijkt vervangen door een recreatieve. Dat was juist niet de bedoeling en gaat ten koste van de drie te vormen landschappen. De reden is Masterplan Park Lingezegen, een bijlage van de op 3 juli 2008 door betrokken partijen getekende bestuursovereenkomst onder leiding van de ondeskundige gedeputeerde Co Verdaas (PvdA). Die overeenkomst hadden de kennelijk bestuurlijk zwakke en niet ter zake kundige wethouders R. W. Mooij (Overbetuwe) en B. Joosten (Lingewaard) nimmer kunnen/moeten accepteren. De eveneens ondeskundige auteur Geert van Duinhoven weet niet waarover hij schrijft en kent in ieder geval de voorgeschiedenis niet. Zijn  product is het resultaat van wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Het Masterplan bevat dan ook veel historische onjuistheden. De auteur weet niet dat het regionale landschapspark Lingezegen compensatie aan de Over-Betuwe is voor de zware aantasting van Over-Betuwse landschap door verstedelijking. In het Masterplan spreekt hij zelfs over een ‘stedelijk park met Betuws karakter’, al weet hij niet wat ‘een stedelijk park’ en ‘Betuws karakter’ is. Hij weet ook niet dat deelgebied De Park volledig in Elst ligt en niet tegen ‘de noordrand van Elst’. De Park is dus niet ‘goed toegankelijk vanuit Elst’, maar ligt volledig in Elst. De fietsverbindingen daar liggen dan ook niet tussen Elst en Schuytgraaf, maar in Elst. De auteur en veel anderen weten kennelijk bovendien niet meer wat een landschapspark is. Zij achtten zich daardoor niet gebonden aan de bij serieuze onderhandelingen gemaakte afspraken over landschappelijke compensatie voor de verstedelijking. Diepe schande. Historisch onjuist, bestuurlijk verwerpelijk en in strijd met de afspraken is het uitgangspunt verstedelijking, verstedelijkte gebieden en stedelijk uitloopgebied in plaats van compensatie aan de Over-Betuwse gemeenten.

                                               1992                                                               2008

 

Uitgangspunt:                         compensatie                                       verlengde verstedelijking

                                             aan Elst en Bemmel                           voor verstedelijkt gebied

Doel:                                     landschapspark met                           uitloop- en recreatiegebied

                                             extensieve recreatie                            met intensieve recreatie

Middel:                                  landschapsontwikkeling:                    verdere aantasting van

                                             bos-, water en agrarisch                     landschap door paden,

                                           landschap                                           evenementen(terrein), enz.

Hoofdfunctie:                       landschappelijke                                 recreatieve

Naam:                                  landschapspark                                   ‘park’

Functie                                schakel en buffer                                verlengde van verstedelijkt

                                           tussen stedelijke en                            gebied

                                           andere woongebieden

Het landschapspark is derhalve ontaard in een stedelijk uitloop- en recreatiegebied. Historisch onjuist of een mythe is ook dat recreatie de hoofdfunctie is van het park. Het landschapspark heeft een landschappelijke hoofdfunctie, behoort die in ieder geval te hebben. Het Masterplan vervangt die landschappelijke hoofdfunctie van het landschapspark door een recreatieve. Het beweert dat in het landschapspark de Betuwse landschapsgeschiedenis tot uitdrukking dient te komen, maar komt deze bewering niet na. Het spreekt zelfs over het park dat ‘een integraal onderdeel uitmaakt van de verstedelijking’; een ‘buitengebied dat past bij de stedelijke uitbreidingen’ (een grove leugen). Juist is te spreken over Over-Betuws landschapspark met drie Over-Betuwse landschappen: een loofbos-, een water- en een landbouwlandschap. Recreatieve ontwikkeling van de compensatiegronden is in strijd met de afspraken. Bedreiging en verloedering van het te ontwikkelen landschapspark dreigen door onwetendheid en wijziging van naam, doelstelling, middelen en hoofdfunctie: park in plaats van landschapspark Lingezegen beoogt realisering van een stadspark, stedelijk uitloopgebied en stadsregionaal recreatiegebied met recreatieve bebouwing (interne verstedelijking). De compensatie hield in de aanleg van een landschapspark met drie karakteristieke Betuwse landschappen. Dat behoort het karakter en hoofdfunctie van het landschapspark te zijn. Aan de oostzijde van de Rijkerswoerdse Plassen wordt zelfs gedacht aan een recreatieboulevard met stedelijke bebouwing bij de cultuurhistorisch waardevolle Betuwe- of defensiedijk. Een deel van deze dijk is zelfs ondanks de cultuurhistorische waarde verwijderd ter hoogte van het Kempke. Het beoogde loofbosgebied De Park is vervallen tot een soort mozaïeklandschap met bospercelen, elzensingels, houtwallen, weilanden en boomgaarden. Het dreigt zelfs te ontaarden in een soort stadspark met evenemententerrein, laanbomen, hondenspeelveld, kleine bospercelen, volkstuinen, voedselbossen, stadslandbouw, waterspeelplaats en boomgaarden. Die elementen horen en passen dus niet in een Over-Betuws loofboslandschap,  zelfs niet in het bestaande agrarische landschap. Deelgebied De Park is dan ook ontaard in of verloederd tot een gebied dat ‘vlees noch vis’ is in het landschap(spark) en aan het landschap(spark) zelfs afbreuk doet. Het is meer een tegemoetkoming aan de stadswijk Schuytgraaf dan compensatie aan de gemeente Overbetuwe. Veelzeggend is de overigens onjuiste uitlating in de algemene brochure van het park in aanleg van de ter zake kennelijk ondeskundige wethouder M. Leisink van Arnhem. Hij ‘ziet het landschapspark als de nieuwe voortuin van Arnhem’. Hij heeft van een landschapspark als compensatie voor verstedelijking van de Over-Betuwe en een schakel en buffer tussen stedelijke en andere woongebieden dus niets begrepen. De Arnhemse raad mag dan dergelijke prietpraat en onzin accepteren, een Over-Betuwnaar niet. Wel typisch Arnhems naast het koesteren van de geschiedvervalsing van de mythe ‘slag om Arnhem’; niet onbebouwd kunnen laten van grond; niet houden aan overeenkomsten met buurgemeenten, en bouwen buiten de bouwgrens en in strijd met bestemming en landinrichting. In strijd met de afspraken krijgt het landschapspark de hoofdfunctie van uitloop- en recreatiegebied. Beter is eerst het landschapspark te voltooien en vervolgens de toegankelijkheid te bezien. Veelzeggend is de onjuiste formulering dat er naast recreatie ook ruimte komt voor bos, landbouw, natuur en water. De landschappelijke hoofdfunctie van het landschapspark wordt geleidelijk verdrongen door de recreatieve. Historisch juist voor het landschapspark is de formulering dat er naast bos, water, natuur en landbouw ook ruimte komt voor extensieve recreatie. In deze bufferzone mag uiteraard geen verstedelijking plaatsvinden in de vorm van stedelijke bebouwing, activiteiten en voorzieningen. Voorbeelden daarvan zijn volkstuinen, evenemententerrein, sport- en wijkvoorzieningen (hondenspeelveld en skeelerbaan) en eventueel plaatsing van zonnepanelen of trekkershutten. Vestiging van niet-landschappelijke en niet-agrarische activiteiten is immers een vorm van verstedelijking. Besluitvorming op grond van onkunde, onjuiste informatie en onbegrip moet gecorrigeerd worden.

Aandacht voor cultuurhistorie ontbreekt in het landschapspark. Zo is er geen aandacht voor de Limes; het geallieerde Over-Betuwse bruggenhoofd (27 september 1944 tot 5 april 1945);  kanaal De Grift; en de cultuurhistorische waarde van de in 1951/1952 aangelegde Betuwe- of defensiedijk als onderdeel van de Rijn-IJssellinie. Het Masterplan spreekt over de Betuwelijn, maar bedoelt de Betuweroute. Verloedering van het bestaande landschap dreigt door ontaarding van het landschapspark  in een soort stadspark als Sonsbeek en Goffertpark. Interne verstedelijking leidt tot een ‘kwalitatief hoogwaardig stedelijk uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio’, aldus het Masterplan.  De aanleg van een net van vrijwel kaarsrechte wandel-, fiets- en ruiterpaden leidt immers niet tot de afgesproken en dus vereiste landschapsontwikkeling. 

Literatuur:

1. Park Over-Betuwe. Ontwerp Gebiedsperspectief, 15 december 2000

2. Een park van formaat. Park Over-Betuwe naar realisatie, januari 2006.

3. Een park van formaat. Park Lingezegen, mooi dichtbij, juli 2008.

4. Geert van Duinhoven, Masterplan Park Lingezegen, juli 2008.

5. Park Lingezegen. Van Plan tot Park, 2015. 

Park Lingezegen. Van Plan tot Park, 2015, 108 p.

Het kleurrijke boek heeft een handig formaat, is fraai uitgegeven en bevat kaarten, veel afbeeldingen en foto’s in kleur. Het is inhoudelijk echter erg zwak. Landschapspark Lingezegen is een nieuw landschapspark in de Over-Betuwe. Het park bestaat uit vijf deelgebieden. Het landschapspark zou volgens afspraak oorspronkelijk drie Over-Betuwse landschappen bevatten: loofboslandschap De Park, waterlandschap Waterrijk (Het Broek) en agrarisch landschap (Landbouwland). Dit landschapspark is niet bedoeld als ‘uitloopgebied voor bewoners van de steden’. Het is compensatie aan de Over-Betuwe voor de door de verstedelijking zware aantasting van het Over-Betuwse agrarische cultuurlandschap. Het park is bovendien verevening voor het verlies van de Over-Betuwse groene buffer tussen Waal en Neder-Rijn. Niet duidelijk is het verschil tussen woerden (Rijkerswoerd), oeverwallen en stroomrug- en komgronden (p. 28-30). Onjuist is te spreken over ‘slag om Heuvel’. Doel van het Duitse offensief in de eerste week van oktober 1944 was vernietiging van het Over-Betuwse bruggenhoofd. De aanval bestond uit twee fasen. Fase 1 was herovering van Elst en fase 2 herovering van de Waalbrug.  Tijdens de eerste fase van het offensief was de hoofdaanval dus gericht op herovering van Elst. Flankaanvallen vonden plaats in De Laar en bij Heuvel, Bemmel, Elden (bij de spoorbrug), Driel, Randwijk en Opheusden. Heuvel was dus geen doel. De Duitse troepen moesten over Heuvel via Vergert en Breedlersestraat naar Aam en het dorp Elst. Terecht is er veel aandacht voor archeologie en geschiedenis. Helaas niet voor het oude kanaal De Grift en de Betuwe- of defensiedijk als onderdeel van de Rijn-IJssellinie (1951-1958). Het vermelde doel van operatie Market Garden (p. 49) is onjuist. Een opmars naar Duitsland is de door Montgomery gewenste opmarsrichting. Het strategische doel van operatie Market Garden was vorming van een bruggenhoofd ten noorden van de Neder-Rijn. Dat bruggenhoofd tussen Arnhem en het IJsselmeer moest beschikken over diepe uitlopers over de IJssel. Tactische doelen waren het afsnijden van de Duitse troepen en hun lanceerbases voor V2-raketten in het westen van Nederland. Operatie Market Garden is 21 september 1944 mislukt ten zuiden van Elst (nu: ten zuiden van het kruispunt Griftdijk-Stationsstraat). Daarna begon de vorming van het geallieerde Over-Betuwse bruggenhoofd. De verdedigingslinies kwamen te liggen ten westen van de spoordijk Arnhem-Elst tot de Linge en vervolgens ten zuiden van de Linge naar de Waal. In oktober en november 1944 moest de burgerbevolking evacueren op duizend mannen in Lent-Ressen-Oosterhout na. Het gebied had veel te lijden van plundering door de geallieerden, vooral Amerikanen. 

Uit het boek blijkt dat de ontstaansgeschiedenis van het landschapspark onbekend is. Men weet niet dat het park compensatie/verevening aan de Over-Betuwe is voor de verstedelijking van de Over-Betuwe. Daarom heette het park aanvankelijk ook landschapspark Over-Betuwe. Dit is gewijzigd nadat er een herindelingsgemeente kwam met de naam Overbetuwe. Het landschapspark zou bestaan uit drie landschappen: loofboslandschap De Park, waterlandschap Het Broek en meer gebied van Rijkerswoerd (Waterrijk) en agrarisch landschap (Landbouwland). De landschappelijke functie moest de hoofdfunctie zijn, niet de recreatieve. Het Over-Betuwse landschap was immers zwaar aangetast door de verstedelijking. Het park als stedelijk uitloop- en recreatiegebied is historisch gezien dan ook onjuist. Het verst afgeweken van de oorspronkelijke bedoeling is De Park. De Kleijn stelt zelfs dat dit gebied (mozaïeklandschap of stadspark) aangepast is aan de woonwijk Schuytgraaf (64). Hij heeft dus van het landschapspark als compensatie voor verstedelijking niets begrepen. Sylvia Karres heeft niets begrepen van ontstaan, karakter en bestaansrecht van het landschapspark (55-57). Zij vormt zelfs een bedreiging voor het park. Zij wil het landschapspark immers juist misbruiken voor b.v. verstedelijking in de vorm van stadslandbouw, circuit en duurzame manieren van energievoorziening. 

Nauw hiermee samen hangen afspraken met Nijmegen en Arnhem over grondoverdracht voor de bouw van de Vinex-locaties Spoor- en Waalsprong. Beide gemeenten komen de gemaakte afspraken niet na. Nijmegen beweert ten onrechte dat de Waalsprong geen woningbouwlocatie is maar een stadsdeel en Arnhem komt gemaakte afspraken niet na (zie hierna).

dr. Jan Brouwer: Arnhem houdt zich nog steeds niet aan afspraken over bebouwingsgrens en bestemming.

Afspraken van 1 november 1993 over bebouwingsgrens en bestemming van gronden.

Opmerkelijk is dat Arnhem en Nijmegen zich nog steeds niet houden aan gemaakte afspraken bij de herindeling. In 1998 droeg de gemeente Elst het dorp Lent en omgeving over aan de gemeente Nijmegen voor ontwikkeling van de Vinex- of woningbouwlocatie De Waalsprong. Nijmegen beschouwt en behandelt het overgedragen gebied echter niet als woonwijk, maar als stadsdeel. Die gemeente gebruikt het gebied dan ook voor andere bestemmingen dan woningbouw, bijvoorbeeld voor bedrijfsvestigingen. 

Arnhem blijft een onbetrouwbare buurgemeente. De overdracht van gebied voor de Arnhemse Vinex-locatie had betrekking op de Spoorsprong (later: Schuytgraaf). Aangezien die locatie niet tot het grondgebied van Arnhem behoorde, was door de provincie opdracht gegeven aan de gemeenten Arnhem, Elst en Heteren om een convenant te sluiten ter uitvoering van de Ontwikkelingsvisie KAN (1993). Een belangrijk onderdeel van dit convenant heeft betrekking op een grenscorrectie voor de realisatie van deze woningbouwtaakstelling. De gemeenten Arnhem, Elst en Heteren sloten op 1 november 1993 een convenant over overdracht van gebied ten westen van de spoorlijn Arnhem-Elst aan Arnhem. Dit gebied werd aangeduid als de Spoorsprong en bestond uit Driel-Oost en het westelijke deel van de Elster buurschap De Laar. Dit convenant is een formele overeenkomst die valt onder de regels van het overeenkomstenrecht. Op 29 oktober 1993 bereikten de gemeenten Arnhem, Elst en Heteren overeenstemming over de overdracht aan Arnhem van de locatie Driel-Oost (thans Schuytgraaf). Ook over de voorwaarden waaronder deze overdracht zou plaatsvinden. Deze overeenkomst met kaart en afspraken is 1 november 1993 formeel vastgelegd in een convenant. Dat convenant is, zoals vereist, diezelfde dag bij brief aan Gedeputeerde Staten van Gelderland gezonden. In het convenant stellen de drie gemeenten onder meer de grenzen van het over te dragen gebied vast; de verlengde bebouwingsgrens; de functies en landschappelijke inrichting van de gronden in de overgangs- of randzones tussen de bebouwingsgrens en de gemeentegrens. Deze inrichting moet aansluiten bij de aangrenzende landschappelijke inrichting (agrarisch of het toekomstige landschapspark). Opgenomen in het convenant was ook het bijeenkomen van de Overleggroep voor een bindend advies over de planologische en stedenbouwkundige invulling van onder meer de zuid- en westrand. Vooral de gemeente Elst wilde geen enkel risico lopen en deze zaken vastleggen in het convenant. Om strategische redenen (onderhandelingen met grondeigenaren) is het overleg door Arnhem steeds uitgesteld.

Gedeputeerde Staten had geëist dat het convenant uiterlijk 1 november moest zijn vastgesteld; overeenkomstig de procedures van de wet ARHI (Algemene Regels Herindeling) van 24 oktober 1984; ter uitvoering van de 28 april 1993 door Provinciale Staten vastgestelde Ontwikkelingsvisie KAN en om toegezegde rijkssubsidie niet mis te lopen binnen de Vinex-taakstelling. De gemeenteraden van Heteren, Elst en Arnhem stemden respectievelijk 28 november, 6 en 12 december 1994 in met gelijkluidende besluiten over de grenscorrectie en het convenant. Het besluit is vervolgens goedgekeurd door het provinciaal bestuur. Het convenant ligt dus verankerd in drie raadsbesluiten. Het plangebied Spoorsprong (1996: Schuytgraaf) ging 1 januari 1995 over naar de gemeente Arnhem. 

Wat is afgesproken?

  1. De gemeenten Arnhem, Elst en Heteren stellen de grenzen vast van het over te dragen gebied Driel Oost en het westelijke deel van de Elster buurschap De Laar.
  2. Bebouwingsgrens. De gemeenten maken duidelijk een wezenlijk verschil tussen de plangrens (de toekomstige gemeentegrens van Arnhem) en de bebouwingsgrens (rooilijn).
  3. De zuidelijke bebouwingsgrens ligt in het verlengde van de sinds 1974 bestaande bebouwingsgrens gelegen ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat en de weg De Laar of Laarstraat.
  4. Gronden buiten de bebouwingsgrens. Buiten de bebouwingsgrens vallen het gebied ten noorden en  noordoosten van ’t Vlot en ten zuiden van de Vogelenzangsestraat met de bestemming ‘Groen en/of water’; de ecologische zone ten zuidwesten van de Vogelenzangsestraat; het agrarische gebied tussen de Achterstraat en de Drielse dijk; een strook grond langs de spoordijk; en gronden ten zuiden en zuidwesten van het plangebied met eveneens de bestemming ‘Groen en/of water’.
  5. Bestemming. Arnhem stelt het bestemmingsplan vast na advies van een Overleggroep van bestuurders en ambtenaren uit de drie betrokken gemeenten.
  6. Inrichting. Deze Overleggroep brengt een bindend advies uit over de planologische invulling van gronden aan de zuid- en westrand van het gebied. Deze gronden tussen bebouwingsgrens en gemeentegrens hebben de bestemming ‘Groen en/of water’. De gronden vormen geen buffer! Ze dienen als overgangszone naar het landelijk gebied en moeten aansluiten bij de landschappelijke inrichting van landschapspark Over-Betuwe (later: Lingezegen) en aangrenzend agrarisch gebied.
  7. Deze overeenkomst is bij gelijkluidend besluit vastgesteld door de drie betrokken gemeenteraden. 

Arnhem kan deze bestemming dus niet eenzijdig wijzigen. Daarvoor is altijd instemming nodig van de raad van de gemeente Overbetuwe! Er was duidelijk lering getrokken uit de negatieve ervaringen met afspraken over de planvorming  voor de wijken de Laar en Rijkerswoerd. De vereiste duidelijkheid was in 1993 verkregen door schriftelijke afspraken en een kaart.

In 1996 peilde Arnhem de opvatting van de gemeenten Elst en Heteren over de in het convenant opgenomen functies in de overgangszone (tussen de nieuwe gemeentegrens van Arnhem en de bebouwingsgrens). B. en W. van Elst reageerden 20 februari 1996 schriftelijk op de vraag van Arnhem in te stemmen met een gedeeltelijke bebouwing van de zuidrand. Het college merkte ‘nogmaals’ op dat Elst er onverkort aan hechtte ‘dat de overgang van stedelijk gebied naar plattelandsgebied niet met harde lijnen wordt geaccentueerd’. In dat verband was daarom in 1993 in het convenant vastgelegd dat de overgangszones de functies zouden krijgen van ‘groen en/of water’ en een landschappelijke inrichting. College en raad hadden bovendien aangedrongen op het vastleggen in het convenant van de Overleggroep die over de planologische invulling of bestemming een bindend advies kon uitbrengen. Het college van Elst achtte geen termen aanwezig het verzoek van Arnhem te honoreren. Elst hield onverkort vast aan wat hierover in het convenant is vastgelegd: de overgangszones hebben de functie van ‘groen en/of water’. Het college achtte de door Arnhem naar voren gebrachte argumenten onvoldoende. Het wilde daarom de raad niet voorstellen het in 1994 genomen besluit in heroverweging te nemen. Dit gold ook voor het verzoek van Arnhem op Elster grondgebied te mogen overgaan tot ontgronding. Het college vertrouwde erop dat Arnhem een passende oplossing zou vinden binnen de contouren van de in 1993 overeengekomen en in het convenant vastgelegde bebouwingsgrens. Het verwees bovendien naar de 28 april 1993 door Provinciale Staten vastgestelde Ontwikkelingsvisie. Daarin stond expliciet dat de zuidgrens van Schuytgraaf in het verlengde moest liggen van de bestaande grens langs de noordzijde van de Rijkerswoerdsestraat en de straat De Laar. 

De drie gemeenten legden in het convenant van 1 november 1993 ook de bebouwingsgrens en overgangszone tussen bebouwingsgrens en gemeentegrens vast alsmede de functies en landschappelijke inrichting van de gronden in deze overgangs- of randzones. Deze inrichting moest aansluiten bij de aangrenzende landschappelijke inrichting (agrarisch of het toekomstige landschapspark). Het bijeenkomen van de Overleggroep voor een bindend advies over de planologische en stedenbouwkundige invulling van onder meer de zuid- en westrand was ook opgenomen in het convenant. Gedacht is ook over vergroting van het landschapspark in de zuidrand. Vooral de gemeente Elst wilde geen enkel risico lopen en deze zaken vastleggen in het convenant. Om strategische redenen (onderhandelingen met grondeigenaren) is het overleg door Arnhem steeds uitgesteld. In 1993 heeft de Overleggroep een bindend advies gegeven over de bestemming (groen en/of water) en invulling (landschappelijke inrichting, aansluiten bij te ontwikkelen landschapsparkpark van de zuidrand. Het was toen dus al de bedoeling de zuidrand dezelfde invulling te geven als het landschapspark. Voor de westrand was gedacht aan een agrarische invulling. Men redeneerde toen vanuit het te ontwikkelen landschapspark en het agrarisch gebied en niet zoals later vanuit de woonwijk Schuytgraaf. 

De Overleggroep hield 5 juni 1996 haar tweede en laatste formele bijeenkomst. Namens de gemeente Elst waren aanwezig burgemeester H. Galama en wethouder A. Hulshof; namens de gemeente Heteren de heren A. Peters en Reijnen; en namens Arnhem wethouder Hartogh Heijs (voorzitter) en Beverdam, projectleider Schuytgraaf. De gemeente Elst hield vast aan haar eerder ingenomen standpunt geen bebouwing toe te staan in de overgangszone. De functie ‘water’ kon eventueel in een apart overleg besproken worden, afhankelijk van de inhoud van het ontwikkelingsplan. Deze functie zou indien noodzakelijk voor het watersysteem van de woonwijk eventueel geheel of gedeeltelijk gewijzigd kunnen worden in de bestemming ‘groen’ (bos) of ‘park’ in aansluiting bij het te ontwikkelen landschapspark Over-Betuwe (later Lingezegen). De gemeente Heteren had bij de functie ‘water’ geen moeite ‘met kleine inbreuken’ in de overgangszones. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft Arnhem daarna niet meer gereageerd. De standpunten van de gemeenten Elst en Heteren waren immers duidelijk. 

De opstelling van Elst vloeide ook voort uit negatieve ervaringen in het verleden. Rond 1970 waren bij de planvorming van de wijken De Laar en Rijkerswoerd eufemistisch uitgedrukt  ‘geen duidelijke afspraken’ gemaakt. De bebouwingsgrens was oorspronkelijk gepland tot de Rijkerswoerdsestraat en de straat De Laar. De gemeente Elst wilde ook toen al een groene overgangszone van circa 300 meter. Arnhem had 3 september 1968 de burgemeester van Elst beloofd de bebouwingsgrens 150 tot 400 meter naar het noorden terug te brengen. Tussen gemeentegrens en bebouwingsgrens zou een groengordel komen, eventueel met sportvelden. Het ontwerpbestemmingsplan De Laar was in 1973 in strijd met deze belofte uit 1968. De bebouwingsgrens was niet naar het noorden opgeschoven en er was geen groengordel van 300 meter opgenomen. Alleen ten noorden van de Rijkerswoerdsestraat ten oosten van de A52 was de bebouwingsgrens naar het noorden verlegd. Arnhem zou 3 september 1968 onder Rijkerswoerdsestraat alleen het gedeelte ten oosten van de A52 hebben begrepen. Dit is echter zeer twijfelachtig. Arnhem was in 1968 al bezig met de voorbereiding van zandwinning in een plas ten zuiden van de Rijkerswoerdsestraat. Arnhem wist dus dat de Rijkerswoerdsestraat ook ten westen van de A52 ligt. 

Vervolgoverleg van de Overleggroep zou 2 december 1996 plaatsvinden. Deze bijeenkomst is niet doorgegaan. Bijeenkomen had ook geen enkele zin. De Overleggroep kon niet tot een bindend advies komen, omdat de standpunten onveranderd bleven. Arnhem wilde wijziging van de in het convenant vastgelegde functies. Elst en Heteren waren daartegen. De gemeenten Elst en Heteren durfden nog gewoon ‘neen’ te zeggen. Ook in 1997 en 1998 heeft de gemeente Elst negatief besloten op verzoeken van Arnhem tot wijziging van het convenant. Onder meer voor de bouw van een sportcomplex (stedelijke voorziening, rode functie). Elst wilde de bebouwingsgrens en de groen/blauwe functies van gronden in de overgangszones (zuid- en westrand) zoals vastgelegd in het convenant onverkort handhaven. Afspraak is afspraak. 

De gemeente Heteren had, zoals vermeld, 5 juni 1996 geen moeite ‘met kleine inbreuken’ in de functie ‘water’ in de overgangszones. De huidige woningbouw ten noorden en noordoosten van ’t Vlot is echter niet te beschouwen als een kleine inbreuk. Die bouw is voorts in strijd met de functie ‘water’. Bovendien kan Heteren daarover niet alleen beslissen. Ook het standpunt van Elst als lid van de Overleggroep is hierbij van belang. Wijziging van de in het convenant vastgelegde functies of een planologische invulling is immers uitsluitend mogelijk door een bindend advies van de Overleggroep. 

Arnhem hield en houdt zich niet aan het convenant en de betreffende raadsbesluiten. Bestempeling van het convenant als een 'herenakkoord' door de ondeskundige wethouder Kreeft in een commissievergadering is complete nonsens. Het convenant is een formele overeenkomst. Het was vereist door Gedeputeerde Staten om toegezegde rijkssubsidie niet mis te lopen binnen de Vinex-taakstelling. Het is bovendien vastgesteld bij drie gelijkluidende raadsbesluiten eind 1994!

De bouw van de hulpwarmtecentrale (2009) en sportpark Schuytgraaf is in strijd met het convenant.  Er is dus sprake van een hoogst ernstige zaak: illegaal bouwen buiten de bebouwingsgrens op gronden met de door een bindend advies vastgestelde bestemming ‘Groen en/of water’ en een vereiste landschappelijke inrichting. De bouw van woningen met rieten kap ten noorden en noordoosten van ’t Vlot is eveneens in strijd met het convenant. Deze woningen zijn eveneens gebouwd buiten de bouwgrens op gronden met de bestemming ‘groen en/of water’ en een vereiste landschappelijke inrichting. Bovendien gebruikt Arnhem gronden ten zuiden van de bebouwingsgrens in strijd met de afgesproken bestemming ‘Groen en/of water’. Nota bene: bijna vijfentwintig jaar na de ondertekening van het convenant. Deze gronden bij en ten oosten van de hulpwarmtecentrale worden namelijk gebruikt voor een gebouw van Projectpunt gemeente Arnhem; volkstuinen; en kantoor, opslag en stort van wegenbouwmaatschappij KWS Infra. En in 2018 wil Arnhem in veld 24 opnieuw bouwen in strijd met de gemaakte afspraken.

Arnhem wist en weet dat Elst en Heteren (2000 gemeente Overbetuwe) tegen bouw buiten de bouwgrens waren en nog steeds zijn. De Overleggroep kon (kan) daarover dus geen bindend advies geven. Arnhem bouwde daarom op eigen houtje buiten de Overleggroep om: buiten de in het convenant vastgelegde bebouwingsgrens; op gronden met de eveneens in het convenant vastgelegde functies ‘groen en/of water’ en die volgens het convenant een landschappelijke inrichting moesten krijgen. Die bouw is dus illegaal in de zin van in strijd met het convenant. Arnhem moet nu eindelijk eens ophouden zonder steekhoudende argumenten bij elk nieuw college te zeuren om een wijziging van het convenant. Afspraak is afspraak, ook voor Arnhem. Over het convenant is in 1993 immers volkomen overeenstemming bereikt! Arnhem komt toch ook niet terug op de overdracht van de Spoorsprong (Schuytgraaf) aan Arnhem…. 

Een mogelijke oplossing

Staatsbosbeheer heeft ten zuiden van Schuytgraaf een speelbos aangelegd in het ‘boslandschap’ De Park van landschapspark Lingezegen. De Park dreigt te ontaarden in een stadspark in plaats van het afgesproken loofboslandschap. Een oplossing is ook speelbos aan te leggen in de zuidrand van Schuytgraaf. Dat past precies binnen de aan de overdracht van Schuytgraaf gestelde voorwaarden: geen bouw buiten de vastgestelde bebouwingsgrens, valt binnen de bestemming ‘groen’ en met een vijver ook binnen de bestemming ‘water’ en voldoet aan de eis van een landschappelijke inrichting overeenkomstig het aangrenzende landschapspark. De gemeente Overbetuwe moet ervoor waken dat Arnhem ook daar buiten de bebouwingsgrens en in strijd met de bestemming en de vereiste landinrichting woningen bouwt! 

De oplossing voor de bouw in strijd met het convenant en dus de afspraken, bestemming en landinrichting is sloop van de bouwwerken. Tegenover akkoord gaan met die bouwwerken moet een ruime compensatie staan: aanleg van het afgesproken loofboslandschap in deelgebied De Park van het landschapspark Lingezegen of een fors geldbedrag. Sommigen vinden het immers nog steeds de moeite waard om afspraken na te komen.....

Margreet Jellema, Bureau De Knotwilg, Ommetje De Park, maart 2018.

Ommetje De Park, maart 2018.

Ommetje De Park is een wandelroute door het beoogde boslandschap De Park van Landschapspark Lingezegen. Helaas bevat de beschrijving van de route een aantal storende fouten. 

6. Buurtschap De Laar moet zijn buurschap De Laar. Rond Elst lagen tien buurschappen. Het woord ‘Laar’ betekent niet ‘een open plek in het bos’, maar ‘onbebouwde woeste grond’, ‘broekland’, ‘moerassig land’. Buurschap De Laar bestond uit vlak, open komgrondengebied  met modderige weilanden doorsneden door afwateringssloten met hier en daar een boomgaard of vochtig loofbosgebied. 

8. Oorlogsmonument.  Bij de Buitenplaats staat het Wiltshiremonument  ter herinnering aan gesneuvelde Britse militairen van het 4de en 5de bataljon The Wiltshire Regiment. Het heeft niets te maken met de zogenaamde slag om Arnhem (een mythe). Beide bataljons waren van 22 tot 24 september 1944 betrokken bij het ontzetten van de door Duitsers geblokkeerde Irish Guards ten zuiden van Elst. Tussen 1 en  5  oktober 1944 verdedigden zij het westelijke deel van buurschap De Laar, vooral de spoorwegovergang. Dit gebied behoorde tot het geallieerde Over-Betuwse bruggenhoofd dat van 1 tot 6 oktober 1944 te lijden had onder een zwaar Duits offensief. 

10. Energie. Bij het Trafostation staat een door Arnhem illegaal buiten de bebouwingsgrens en op gronden met de bestemming ‘groen en/of water’ gebouwde hulpwarmtecentrale.