dr. Jan Brouwer: De Rijn-IJssellinie in de Over-Betuwe, 1951 tot 1964.

Te inunderen gebied van de Rijn-IJssellinie, 1951 tot 1964.

Verspreid in de Over-Betuwe staan objecten waarvan voor velen niet duidelijk is wanneer en waarom ze gebouwd zijn. Is de hoge dijk tussen Elden en Lent ten westen van de autoweg A325 een civiel of militair verdedigingswerk? Als die dijk een waterkering tegen hoogwater is, wat voor soort overstroming moet worden voorkomen als in de omgeving geen water is te bekennen? Buurtbewoners spreken over defensiedijk, een militair verdedigingswerk. Vragen over bouwtijd en functie stellen sommigen ook over de doorlaatbrug in de Eldensedijk tussen Elden en de buurschap De Praets. Ook over bouwwerken ten noorden van de Drielsedijk in de polder Meinerswijk  zoals een tweede doorlaatbrug, overlaatdijken en tankkazematten. En ook over een haven, tankkazematten en een defensiedijk bij Bemmel. Buurtbewoners wisten vaak wel wat er gebouwd werd, maar niet waar de bouwwerken voor dienden en wat de onderlinge samenhang was.

De meeste bouwwerken hebben te maken met de relatie tussen landsverdediging en rivierwater. Dat water kan een verdedigingswapen zijn in de vorm van een militaire strategische inundatielinie als de West-Brabantse (1628-1812); de Oude (1673-1822) en de Nieuwe Hollandse waterlinie (1815-1940); de Stelling van Amsterdam (aangelegd 1881-1914, opgeheven 1963); de Grebbelinie (1744-1940), de IJssellinie (verschillende uitvoeringen tussen 1589 en 1940) en de Rijn-IJssellinie (1951-1964). Oppervestingbouwer Menno Baron van Coehoorn (1641-1704) stelde in 1701 een afdamming voor van de Rijn en de IJssel om de IJsselvallei te kunnen inunderen. Hij wilde de Betuwe afsluiten door een defensiekanaal bij Pannerden. Deze plannen zouden in een andere uitvoering omstreeks 1950 terugkomen. Het na 1701 gegraven Pannerdensch kanaal is in 1707 opengesteld voor de scheepvaart. Reorganisatie van het Nederlandse verdedigingsstelsel naar ideeën van C. Krayenhoff (1758-1840) leidde na 1860 tot een stelsel van waterlinies, waaronder weer een IJssellinie. Op strategische punten langs de rivier kwamen versterkingen, waaronder de forten Pannerden (gebouwd in 1870, verbeterd in 1886/1887); Elden (aangelegd in 1866, opgeheven in 1874, gesloopt in 1919) en Westervoort. Fort Elden stond strategisch in de hoek van de Griftdijk en de Drielsedijk. Het bestond uit een zeszijdig klein aarden veldwerk en was omgeven door een aarden wal en een dertig meter brede vrij diepe gracht. Het fort  had twee defensieve functies: steun verlenen aan van de IJssel en fort Pannerden terugtrekkende troepen naar de Grebbelinie en de linie De Spees-Ochten en een uit het zuiden komende vijand verhinderen de Rijn over te steken. Het restant van het fort - gracht en toegang - kreeg in de volksmond de naam ‘t Hoefijzer. 

Koude Oorlog

De Rijn-IJssellinie is van 1951 tot 1955 gebouwd tussen Kampen en Ubbergen (circa 120 kilometer lang). Na het bezoek van NAVO-opperbevelhebber Dwight D. Eisenhower aan Nederland in 1951 kreeg de verdedigingslinie ook wel de naam Eisenhowerlinie. Doel van deze uiterst geheime waterlinie was West-Nederland te beschermen tegen een eventuele Russische invasie door een strategische inundatie van delen van Oost-Nederland. Het was de begintijd van de Koude Oorlog die tot 1991 zou duren. Veel indruk in West-Europa maakten de communistische staatsgreep in Tsjechoslowakije in 1948 en de Sovjetblokkade van West-Berlijn van 24 juni 1948 tot 12 mei 1949. De Bondsrepubliek Duitsland (BRD) ontstond 23 mei 1949 en de Duitse Democratische Republiek 7 oktober 1949. Als reactie op de Praagse staatsgreep sloten 17 maart 1948 het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Nederland en Luxemburg het Verdrag van Brussel. Doel van deze Westerse Unie was realisering van een West-Europese militaire samenwerking en versterking van de banden met de Verenigde Staten. Deze militaire samenwerking breidde zich uit met de Verenigde Staten, Canada, Denemarken, Noorwegen, IJsland, Portugal en Italië. Deze landen tekenden 4 april 1949 in Washington het Noord-Atlantisch Verdrag ter ondersteuning waarvan ze de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie oprichtten. De BRD trad 5 mei 1955 toe tot deze organisatie. De NAVO zocht een antwoord op de Russische dreiging en het op 14 mei 1955 opgerichte Warschaupact. De NAVO wilde een beslissend gevecht tussen grondlegers met conventionele wapens voorkomen. Bij het uitbreken van een oorlog moesten de geallieerde strijdkrachten zich terugtrekken achter de Rijn en daar halt houden. De eerste geallieerde verdedigingslinie liep langs de Rijn van Zwitserland via Lobith naar de Noordzee. De bedoeling van deze Rijnlinie was de opmars van het Rode Leger te vertragen tot er versterkingen waren gearriveerd. Bij een dreigende vijandelijke overschrijding van de grote rivieren zou de hoofdmacht evacueren naar het Verenigd Koninkrijk. Dit betekende het aan de vijand laten van het Europese continent. De overwinning moest daarna behaald worden door de Sovjet-Unie met waterstofbommen te bombarderen.

Rijn-IJssellinie

De Nederlandse regering betreurde het prijsgeven van Nederland boven de grote rivieren. Ze drong bij de bondgenoten aan op doortrekking van de NAVO-defensielinie langs de IJssel. Die rivier was echter te smal en te ondiep en het Nederlandse leger had onvoldoende verdedigingskracht. Nederland was bezig met de wederopbouw en het leger had te weinig manschappen die bovendien slecht waren toegerust. Het leger beschikte slechts over materieel dat door de bevrijders was achtergelaten en veel Nederlandse soldaten waren tot 1949 gelegerd in Nederlands-Indië. Het Nederlandse voorstel was daarom onacceptabel voor NAVO-voorzitter Montgomery. De NAVO stemde wel in met diens voorstel dat Nederland die verdedigingslinie dan zelf moest aanleggen. De Rijn-IJssellinie werd daardoor wel een onderdeel van de geallieerde Rijn-IJsselverdediging. Nederland koos voor het bekende en relatief goedkope wapen van een waterlinie en baseerde zich op het plan van Menno van Coehoorn uit 1701: een IJssellinie met een verhoogde waterstand in de IJssel van Zwolle tot Arnhem om het gebied ten oosten van de rivier te kunnen inunderen. Bij Arnhem en de IJsselsteden waren materiaaldepots met hout, palen en zandzakken gebouwd voor het afdammen van de IJssel.

De Generale Staf van de Koninklijke Landmacht bestudeerde in 1949 de mogelijkheid voor een IJssellinie. Het plan met de codenaam Leeuw bevatte onder meer de vorming van gevechtsgroepen voor de verdediging van de IJsselovergangen (bruggen). Het plan voorzag niet in afdamming van rivieren. De IJssel moest dieper en breder om een militaire hindernis te kunnen vormen. Noodzakelijk waren een verhoging van het waterpeil en een vergroting van de waterafvoer. De IJssel  moest buiten haar oevers en winterdijken kunnen treden. Het te inunderen gebied moest ‘plas en dras’ zijn. Het waterpeil van 45 centimeter moest te laag zijn voor grote vaartuigen en te hoog voor oprukkende grondtroepen. De oplossing bleek uiteindelijk het water van de Boven-Rijn door het Pannerdensch kanaal naar de IJssel te doen stromen. Het plan voor vergroting van de waterafvoer door de IJssel en de Rijn-IJssellinie was in 1951 afkomstig van kapitein J. C. E. Haex (1911-2002); notulist van de vergaderingen van de Generale Staf.  Hij had in 1950 bij Fort Pannerden de landtong bezocht waar de Rijn zich splitst in Waal en Pannerdensch kanaal. Daar zag hij de enorme wateraanvoer van de Boven-Rijn waarvan de waterverdeling is gereguleerd door het in 1775 gegraven Bijlands kanaal: twee derde door de Waal en een derde door de Neder-Rijn. Van het water aangevoerd door het Pannerdensch kanaal stroomt weer twee derde door de Neder-Rijn en een derde door de IJssel. Op de landtong bij Pannerden ontstond bij Haex de gedachte het water van de Boven-Rijn te benutten voor inundaties in het IJsselgebied. Dit idee werkte hij verder uit. De Generale Staf nam in 1951 zijn plan voor de Rijn-IJssellinie aan. Het plan bevatte een waterbouwkundige en een militaire component. Rijkswaterstaat benaderde professor ir. P.P. Jansen, hoogleraar weg- en waterbouwkunde aan de Technische Universiteit van Delft voor de waterbouwkundige component. Hij ontwierp in zijn laboratorium een ontwerp om met drijvende stuwen (caissons) en sluizen (inlaatwerken) de watertoevoer naar de IJssel te vergroten. De gewenste waterlinie kon ontstaan door de watermassa van de Boven-Rijn te leiden naar de IJssel door het afsluiten van de Waal en de Neder-Rijn. Daarvoor ontwierp Jansen twee drijvende stalen stuwen, één voor in de Waal tussen Bemmel en de Ooijpolder (rivierbreedte ruim 232 meter) en één voor in de Neder-Rijn tussen Arnhem en Meinerswijk (gemeente Elst) (rivierbreedte ruim 86 meter). De aanvoer van bijna tien maal zo veel water als normaal maakte het mogelijk langs de IJssel een gebied met een breedte tot vijftien kilometer te inunderen.

Het hoogteverschil van tien meter tussen Nijmegen en het IJsselmeer vereiste de bouw van circa zestig watercompartimenten met verschillende niveaus. Deze compartimenten moesten ervoor zorgen dat het water na de inundatie niet in de uiterwaarden zou blijven staan maar naar Kampen zou stromen. De kosten van de civieltechnische waterbouwkundige werken bedroegen uiteindelijk circa honderd miljoen gulden. Dat bedrag was snel terugverdiend door het beperkte aantal benodigde militaire divisies en het gebruik van materieel uit de Tweede Wereldoorlog. Bij oorlogsdreiging konden aangebrachte springcoupures de IJsseldijken opblazen voor een snelle inundatie. Het openen van veertien inlaatwerken in de westelijke dijken leidde het rivierwater naar het inundatiegebied. Civieltechnische werken moesten bij het inzetten van de Rijn-IJssellinie zorgen voor herstel van de zoetwatervoorziening naar West-Nederland. Bij het volledig functioneren van de Rijn-IJssellinie moesten circa 410.000 mensen en 70.000 stuks vee evacueren uit het inundatiegebied. De betrokken burgemeesters konden door de rijksoverheid opgelegde geheimhouding het evacuatieplan pas op het laatste nippertje bekendmaken met alle gevolgen van dien. De watermassa zou bovendien grote vernielingen aanrichten aan woongebieden, waterhuishouding, landbouw en infrastructuur. 

Operatie Noodbruggen Ponton Plan Betuwe

De minister van Oorlog en Marine stemde in december 1950 in met het versnellen van een plan voor de Rijn-IJssellinie. De ministerraad besloot reeds 26 februari 1951 tot uitvoering van het plan met drijvende stuwen. De uitvoering begon onmiddellijk onder de grootst mogelijke geheimhouding onder de codenaam Plan C (Coehoorn) of operatie Noodbruggen Ponton Plan (NBPP) Betuwe. De Staten-Generaal waren niet geïnformeerd, wel de betrokken burgemeesters en de Commissarissen der Koningin van Gelderland en Overijssel. De door Rijkswaterstaat gebouwde stuwen in de Waal en de Neder-Rijn waren 1 september 1952 beperkt en in 1954 volledig inzetbaar. In 1952 bleek een derde stuw bij Olst nodig voor het versnellen van de inundatie. Die kreeg de codenaam Plan D (Deventer) of Noodbruggen Ponton Plan (NBPP) Deventer.

Tijdens de Koreaanse oorlog (1950 tot 1953) bleek ook de Sovjet-Unie kernwapens te kunnen maken. De NAVO en de  VS moesten daarom hun verdedigingsstrategie wijzigen. De NAVO besloot tot een conventionele verdediging van West-Europa en in december 1950 tot de strategie van de ‘voorwaartse verdediging’: zo ver mogelijk oostwaarts de vijand opvangen met een schild van conventionele middelen. De VS gebruikten hun productiecapaciteit uit de Koreaanse oorlog voor versterking van de legers van het Verenigd Koninkrijk, de BRD, Frankrijk, België en Nederland. Deze legers moesten het Rode Leger tegenhouden tijdens een eventuele opmars door de BRD. 

In december 1955 was de bouw van de Rijn-IJssellinie voltooid. In 1956 waren er voldoende modern bewapende Nederlandse troepen voor de verdediging van de linie. Na de toetreding van de BRD tot de NAVO en het op sterkte brengen van de Bundeswehr in 1957 kon de geallieerde verdedigingslinie opschuiven naar het oosten: in 1958 vormde de Weser-Fuldalinie de eerste verdedigingslinie en in 1966 de Elbelinie. Na 1958 verloor de achterhaalde Rijn-IJssellinie haar functie in de NAVO-strategie. Nederlandse militairen moesten binnen de strategie van de ‘voorwaartse verdediging’ van 1963 tot 2006 naar de Nederlandse legerbasis in Seedorf. Minister De Jong van Defensie besloot 21 februari 1964 tot opheffing van de Rijn-IJssellinie. Staatssecretaris luitenant-generaal J. C. E. Haex gaf ‘zonder pijn in het hart’ het startsein tot ontmanteling van deze linie. Het Liquidatiedetachement van het Derde Geniecommandement trad tussen 1964 en 1968 rigoureus op. De verwijdering van de stuwen vloeide voort uit internationale verdragen over het niet hinderen van de scheepvaart of de normale afvoer van rivierwater. Afsluiting van de  Rijn en de Waal was bijvoorbeeld in strijd met de Rijnvaartconventie van Mannheim (1868).

De in 2006 opgerichte Vereniging Vrienden van Meinerswijk meent abusievelijk dat het ministerie van Defensie bouwplannen van Arnhem voor de polder Meinerswijk heeft tegengehouden. Dankzij de Rijn-IJssellinie zou die polder niet volgebouwd zijn. Arnhem annexeerde echter pas 1 maart 1966 van Elst buurschap De Praets, de polders Malburgen en Meinerswijk, het dorp Elden en het Eldense veld. Veel verdedigingswerken in Meinerswijk waren toen al ontmanteld. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 konden de laatste restanten en het predikaat ‘staatsgeheim’ worden opgeheven. De Rijn-IJssellinie heeft nooit dienst gedaan. Wel was tijdens de Cuba-crisis in oktober 1962 het waterpeil van het IJsselmeer en de IJssel met 40 centimeter verhoogd. Niet spuien op de Noordzee leidde tot natte landerijen in de IJsselvallei en een slecht functionerend rioleringsstelsel in IJsselsteden. 

Stuw tussen Arnhem (Klingelbeek) en Elst (Meinerswijk)

Van 1951 tot 1955 kreeg de gemeente Elst, bestaande uit de dorpen Elst, Elden en Lent, te maken met de bouw van de Rijn-IJssellinie. In de Neder-Rijn kwamen aan weerszijden een vaste pijlerdam met een landhoofd en in de polder Meinerswijk een zandgat, overlaten,  sluizen en verdedigingswerken. Twee bestaande civiele doorlaatsluizen ter verbetering van de afvoer van rivierwater bij hoge waterstand kregen ook een functie binnen de Rijn-IJssellinie. Tussen Elden en Lent verrees de Betuwe- of defensiedijk. Bij Bemmel kwamen een stuwhaven, een overlaatdijk en verdedigingswerken. Het in 1862 gebouwde fort Sprokkelenburg of fort Boven Lent was van 1951 tot 1959 opslagplaats van zinkstukken, brandstof en munitie voor de Rijn-IJssellinie. Het was ook hulpcommandopost voor zoeklichten. Het rijksmonument is nu ingericht tot wijnfort.

Stuwlocatie in de Neder-Rijn

Overzicht van de stuwlocatie. De stuw ligt in de berghaven bij de twee landhoofden

De in snelstromende rivieren te plaatsen stuwen bij Bemmel, Arnhem en Olst waren ontworpen in de Technische Universiteit te Delft. De stuwen mochten in vredestijd de scheepvaart en de normale waterafvoer niet belemmeren. De vorm en werking van de drie stuwen waren identiek. De lengte was aangepast aan de plaatselijke rivierbreedte. De stuw in de Neder-Rijn bestond uit twee pijlerdammen (lengte 105 meter) afgesloten door een betonnen landhoofd. Daartussen kwam een betonnen afsluitcaisson met beweegbare kleppen. De op de pijlerdammen aansluitende overlaatdijken liepen tot de bandijken. De caissondam bestond uit aan elkaar gekoppelde drijvende stalen pontons. Die hadden een breedte van dertig meter in de stroomrichting en negen meter in de dwarsrichting van de rivier. De stuw in de Neder-Rijn  had een totale lengte van 86.50 meter (2 x 7.25 en 8 x 9.00 meter). Op de pontons was een metalen raamwerk van afsluitconstructies bevestigd met dubbele afsluitbare buizenrekken. Op een hoek van de caisson stond de commandotoren. De Dienst Speciale Werken van Rijkswaterstaat bouwde de in Schiedam voorgefabriceerde caissonconstructie in een speciaal uitgebaggerde berg- of defensiehaven bij de steenfabriek in de Rosandepolder. 

Bij oorlogsdreiging zouden stroomopwaarts geplaatste lieren op pontons de drijvende stuw uit de haven naar de zinkplaats tussen de landhoofden trekken. Na het afzinken van de stuw op een betonnen drempel van 2.15 meter hoog op de rivierbodem zouden militairen de buizenrekken van de caisson sluiten. Daarna steeg het waterpeil, aanvankelijk tot de zomerdijken. Militairen zouden bij een bepaalde waterhoogte ook de stalen kleppen van de pijlerdammen sluiten, waarna de rivier volledig zou zijn afgesloten. Het water zou vervolgens in snel tempo stijgen en de winterbedding instromen. Ter versteviging van de stuwconstructie zouden zandzuigers stroomopwaarts een stevige zanddam opspuiten. De haven voor de zandzuigers was schuin tegenover de caissonhaven gegraven in Meinerswijk. Ten zuiden van die haven of zandput lagen een 800 meter lange overlaatdijk en daarachter nog een 250 meter lange overlaatdijk, beide geasfalteerd. Stroomafwaarts zouden militairen vier met erts of stortsteen geladen gevorderde binnenvaartschepen van ongeveer 500 ton dwars in de rivier tegen de caisson tot zinken brengen (schependrempel). De eerste proefvaart met de stuw in de Neder-Rijn was op 5 oktober 1952 en duurde onder gunstige omstandigheden slechts 25 minuten. 

Bij de stuw in de Neder-Rijn waren twee in 1935 gebouwde civiele doorlaatbruggen of -sluizen in het inundatiesysteem opgenomen. Die dienden voor het afsluiten van de uiterwaarden op de zuidelijke oever van de Neder-Rijn. De ene doorlaatbrug ligt aan de oostzijde, de andere aan de westzijde van de polder Meinerswijk. Het openen van de schuiven in de doorlaatbruggen bij hoge waterstand dient ter bescherming van de bandijk. De oostelijke brug ligt in de Eldensedijk tussen het dorp Elden en de buurschap De Praets. De 200 meter lange betonnen doorlaatbrug ‘De Eldense Dijk’ verving in 1935 twee in 1752 in de dijk aangebrachte bruggen. De vervanging in 1935 door één brug hing samen met de inpoldering van de buitenpolder Malburgen.

De polder Meinerswijk is sindsdien een belangrijk overlaatgebied. De huidige doorlaatbrug bestaat uit een betonnen brugconstructie op betonnen portalen met daartussen aan de oostzijde beweegbare stalen schuifluiken.  Aan weerszijden van het geasfalteerde wegdek ligt een trottoir. Het oostelijke trottoir heeft metalen deksels waaronder zich de stalen schuiven bevinden. De brug is afgesloten voor autoverkeer en in gebruik voor voetgangers- en fietsverkeer. De doorlaatbrug bood de mogelijkheid ten zuiden van het zomerbed van de Neder-Rijn een groene rivier te creëren. Deze overlaat door een groene polder verbeterde de afvoer van rivierwater bij hoge waterstand. Bij oorlogsdreiging bevorderde sluiting van de sluizen van deze doorlaatbrug de inundatie van de uiterwaarden ten zuiden van de stuw. De oostelijke doorlaatbrug is nog volledig aanwezig en heeft een functionele relatie met de westelijke doorlaatbrug ten noorden van Drielsedijk in de polder Meinerswijk.

Deze westelijke doorlaatbrug is als onderdeel van de Rijn-IJssellinie verbouwd in 1951/1952. De stalen schuifluiken moesten immers een plaats krijgen aan de oostzijde om aan die zijde het water te keren. De 600 meter lange smalle fiets- en loopbrug vormde de verbinding tussen de bandijk en het zuidelijke landhoofd bij de steenfabrieken Gallantijnse Waard (1874 tot 1975) en Elden (1928 tot 1982). Na ontmanteling van de Rijn-IJssellinie is de brug in 1966/1967 opnieuw verbouwd. De schuifluiken kregen weer een plaats aan de westzijde om zoals oorspronkelijk de bedoeling was aan die zijde het water tegen te houden. Het doorlaatwerk bestaat sindsdien uit een betonnen brugconstructie met horizontale vloer boven betonnen wanden en daartussen aan de westzijde beweegbare stalen schuifluiken. De betonnen vloer is aan de westzijde voorzien van metalen deksels met daaronder stalen schuiven. Bij het zuidelijke begin van de brug staat op een klein platform een betonnen gebouwtje met een plat dak. Een dubbele metalen deur aan de oostzijde geeft toegang tot de bedieningsapparatuur voor de schuiven. Deze bedieningspost was in de tijd van de Rijn-IJssellinie ook wachthuisje. Aan beide zijden van de doorlaatbrug ligt sinds 1952 een overlaat- of overloopdijk voorzien van asfaltbedekking.

In de zuidelijke overlaat- of overloopdijk staat een duiker met inlaat voor de afwatering. Ook deze duiker was een onderdeel van de Rijn-IJssellinie. De functies van de doorlaatbrug waren het tegenhouden van rivierwater; het vormen van de verbinding naar de steenfabrieken en het stuwcomplex; en een extra afvoermogelijkheid bij hoge waterstand als onderdeel van de groene rivier. 

De Betuwe- of defensiedjk

Betuwedijk tussen Rijkerswoerd en de Linge.

De stuw in de Neder-Rijn kreeg zo ver mogelijk stroomopwaarts een plaats om de bestaande bandijken zo min mogelijk te belasten. Die dijken vormden bij hoge waterstand de zwakke schakel. Het water zou door de opstuwing bovenstrooms van de stuw drie tot vier meter boven het maaiveld stijgen. Bij een doorbraak van de westelijke bandijk tussen Doornenburg en Malburgen zou het geïnundeerde gebied leeglopen en het opgestuwde water de Betuwe instromen. Ter bescherming van het inundatiegebied was van Elden tot Lent de aanleg noodzakelijk van een hoge zware slaperdijk, stille wachter of tweede waterkering. 

Deze Betuwedijk - in de volksmond defensiedijk - moest dus geen overstroming voorkomen, maar inundatiegebied beschermen. Nijmegen duidt overigens deze defensiedijk volkomen onjuist aan als Montgomery- of Eisenhowerdijk. De kosten van de circa elf kilometer lange Betuwedijk waren geraamd op 15 miljoen gulden. De dijk kreeg een plaats ten westen van de in 1946 aangelegde autosnelweg A52 tussen Arnhem en Nijmegen. De defensiedijk ging bij Lent over in de verhoogde maar niet als waterkering aangelegde spoordijk van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen. Vereist was verdediging van het oostelijke talud met een waterdichte bekleding met asfaltzand. De aanleg van de Betuwedijk begon in 1951 na aankoop en onteigening van gronden door de directie Gelderland van Rijkswaterstaat en was in 1952 gereed.

De genie plaatste aan de oostzijde van de A52 een Lingeduiker met inlaat om bij extreem hoge waterstand overtollig water te lozen op de Linge. De grond voor de aanleg van de Betuwedijk bestond uit 2.000.000 kubieke meter zand en 350.000 kubieke meter klei. Deze grond was afkomstig van een zandput op de Veluwe en  een ontgronding in de buurschap Aam ten oosten van het dorp Elst. Deze ontgronding lag op grondgebied van de familie J. C. Breunissen van de in 1991 gesloopte boerderij De Tillenhof. De ontgronding kreeg in de volksmond de naam defensiegat of defensieplas, later Eisenhowerplas. Sinds omstreeks 1990 raakte de naam Aamse plas abusievelijk in gebruik bij projectontwikkelaars van bedrijventerrein De Aam, gemeenteambtenaren, in gemeentelijke plattegronden en het dagblad De Gelderlander. 

Overbetuwe gaf op 25 januari 2011 de defensieplas weer officieel de naam Eisenhowerplas. De Betuwedijk is in twee fasen aangelegd en kreeg een hoogte van 16 meter + NAP. De uitvoerder, de firma Broekhoven, kon niet zo veel zand binnen een jaar aanvoeren. De dijk kreeg daarom in 1951 een hoogte van 13 m + NAP met daarin twee overlaten op 12 m + NAP. Deze drie kilometer lange overlaten waren waterdicht bekleed met asfaltzand. In 1952 was de Betuwedijk op de vereiste hoogte. Het kunstwerk in de spoordijk in Lent was afsluitbaar door een dubbele schotbalkkering.

Militaire verdediging

Voor de verdediging van de stuwlocatie tegen vijandelijke aanvallen zorgden een bataljon infanterie van het Regiment Van Heutz; een afdeling lichte luchtdoelartillerie en ondersteunende genietroepen, in totaal circa 250 militairen. Bevelvoerder was de commandant van het infanteriebataljon. In de rivier lagen stroomopwaarts netversperringen tegen kikvorsmannen en drijvende mijnen. Aan beide zijden van de rivier stonden geschutsopstellingen op hooggelegen fabrieksterreinen en opgeworpen terpen in de uiterwaarden. Eenentwintig tanks van het type Sherman met mitrailleur (Firefly) waren verzonken in gewapend beton. Vierlingmitrailleurs op luchtdoelaffuit stonden op de pijlerdammen en terpen in de uiterwaarden.

Daar stonden ook luchtdoelgeschutsopstellingen, ondergrondse telefoonschakelputten voor radio- en lijnverbindingen en zoeklichtopstellingen, later radarinstallaties op stalen torens. Schuilplaatsen en munitiebergplaatsen waren in de drie steenfabrieken bij de stuw. 

Militaire strategische monumenten

Relicten van de Rijn-IJsselinie bevinden zich nog in de polder Meinerswijk. Bij de voormalige steenfabriek Elden liggen nog vier tankkazematten met geschutskoepels en een ingang naar een ondergrondse telefoonschakelput. Ten zuiden van de zandput - nu weiland - liggen de twee overlaatdijken met asfaltbedekking. Rijkswaterstaat wil voor meer ruimte voor de rivier de plas van Bruil verbinden met de Neder-Rijn. Daarvoor moet de zuidelijke overlaatdijk gedeeltelijk wijken. Ook de twee civiele doorlaatbruggen zijn nog intact evenals de duiker in de zuidelijke overlaatdijk bij de Drielsedijk. Beide doorlaatbruggen zijn sinds 2000 rijksmonument vanwege de cultuurhistorische, architectuurhistorische en planologische waarde. Ze zijn van belang voor de waterhuishouding van de polder Meinerswijk; essentiële onderdelen van het historisch gegroeide landschap en overlaatgebied van deze polder en functioneel en typologisch een goed voorbeeld van een in de uiterwaarden omstreeks 1935 gebouwde betonnen doorlaatbrug. De bruggen zijn dus geen monument omdat ze opgenomen waren in het systeem van de Rijn-IJssellinie, zoals Arnhem vermeldt. De Betuwe- of defensiedijk is door onderbreking van de doorgaande structuur zwaar aangetast, onder meer bij het Ohra gebouw. De dijk fungeert als geluidswal en is ingericht als  doorgaande fietsverbinding en groenzone na de viering van 750 jaar Arnhem in 1983. Het bord met de naam Jubileumpark staat tussen De Laar Oost en Rijkerswoerd. Geschonden is de met bomen beplante dijk in Elst bij ’t Kempke en boven de Linge. Daar is de dijk afgegraven voor zandwinning voor woningbouwterreinen en infrastructuur, zoals wegenbouw in Arnhem-Zuid en het klaverblad bij Ressen. 

De relicten van de Rijn-IJssellinie kunnen na meer dan vijftig jaar in aanmerking komen voor een beschermde status. Relicten in de Ooijpolder en tankkazematten bij Bemmel zijn al gemeentelijke monumenten. Bij Olst zijn veel objecten in beheer bij de stichting IJssellinie. Vier rivierkazematten bij Zutphen en Hattem zijn rijksmonumenten en een tankkazemat in Dieren is provinciaal monument. Inlaatwerken in de dijken bij Westervoort zijn in 1996 gerestaureerd en bij Olst in 2006.

Relicten van de laatste Nederlandse waterlinie vormen een zichtbare en beleefbare herinnering aan de Koude Oorlog. Deze herinneringstekens of militaire strategische monumenten zijn zowel waardevol onroerend goed als historisch bronnenmateriaal. Ze vormen uit historisch oogpunt belangrijk militaircultureel erfgoed van een ingewikkeld uniek militair en civieltechnisch waterstaatkundig systeem. De militaire objecten waren schakels in een lange keten van verdedigingswerken in Oost-Nederland. In hun samenhang zijn ze van militair-historische, cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde. Ze waren van belang voor de inundatie, waterstand en verdediging van waterstaatkundige werken tegen vijandelijke aanvallen. De in 1932 opgerichte Stichting Menno van Coehoorn ijvert voor het behoud van militaircultureel erfgoed met bijbehorende infrastructuur in de oorspronkelijke context. De stichting verzocht bij schrijven van 11 juni 2008 provincies, gemeenten en waterschappen relicten van de Rijn-IJssellinie aan te wijzen als monument. Arnhem overweegt bescherming van de relicten in de polder Meinerswijk en de Betuwedijk in een bestemmingsplan met aanlegvergunningstelsel. Die aanlegvergunning wordt geweigerd wanneer uitvoering van een bepaald werk of daarvan te verwachten gevolgen blijvend afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarde van dit erfgoed. De gemeente Overbetuwe was bereid de Betuwedijk ook te beschermen door een aanlegvergunningstelsel binnen bestemmingsplannen. Vergunning is dan vereist voor het ophogen, afgraven, bewerken of beplanten van de dijk die op de bestemmingsplankaart de waarde ‘cultuurhistorie’ krijgt.  Vereist zijn daardoor advies van de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en besluitvorming in de gemeenteraad. De Lingeduiker met inlaat bevindt zich sinds 2009 in de beschermingszone van de waterschapskeur. Als de gemeente Overbetuwe dit onvoldoende vindt, kan beschermde opname volgen in het bestemmingsplan of aanwijzing als monument. Ook de Eisenhowerplas behoort een beschermde status te krijgen. Betuwedijk, Lingeduiker en Eisenhowerplas zijn dan waardevolle schakels in de keten van beschermde militaire strategische monumenten. Uiteindelijk heeft de gemeente Overbetuwe nog steeds afgezien van bescherming van de Betuwedijk. Ook de Lingeduiker en de Eisenhowerplas genieten nog steeds geen bescherming. Die bescherming is wel dringend en op korte termijn nodig. 

Het zogenaamde landschapspark (!) Lingezegen lijkt het nog bestaande noordelijke deel van de cultuurhistorisch zeer waardevolle Betuwedijk tussen Rijkerswoerd en de Linge te bedreigen. Het zuidelijke deel van die dijk is al afgegraven door 'cultuurbarbaren'. Voor meer intensieve recreatie in een landschapspark en zelfs sinds 1974 door de gemeente Elst ten zuiden van de Rijkerswoerdsestraat verboden stedelijke bebouwing! Park Lingezegen heeft kennelijk geen oog voor cultuurhistorie, zeker niet voor cultuurhistorische landschapselementen als deze Betuwedijk. Die past juist uitstekend in een typisch Betuws waterlandschap. Afgraven is verloedering van dit Over-Betuwse landschap. Cultuurhistorisch zeer waardevol Over-Betuws landschap lijkt te worden misbruikt voor niet noodzakelijke recreatie. Ook de gemeente Overbetuwe treft blaam. Die handelt sinds 2008 veel te traag met adequate bescherming van relicten van de Rijn-IJssellinie. Gebleken is hoe noodzakelijk het is Over-Betuws landschap waaronder de Lingeduiker met inlaatsluis en de Eisenhowerplas adequaat te beschermen tegen de cultuurhistorische en landschappelijke onkunde en recreatiedrift van landschapspark Lingezegen, lees Arnhem en Nijmegen. 

Landschapspark Lingezegen is nota bene ontstaan als compensatie aan de Over-Betuwe voor de verstedelijking en dus zware aantasting van Over-Betuws landschap door Arnhem en Nijmegen. Het moest zijn 'gebied voor strategisch en regionaal groen' en 'een schakel en buffer tussen de nieuwe stedelijke gebieden'. Het groene gebied zou bestaan uit een typisch Over-Betuws boomgaarden- en (vochtig) loofboslandschap De Park. waterlandschap Rijkerswoerd (Gemeint, Het Broek, Waterrijk) en agrarisch landschap ten oosten van de A 325. Alle betrokkenen erkenden de gedeeltelijk beplante Betuwe- of defensiedijk als 'een markante grens' en de noodzaak van 'versterking van de landschappelijke kwaliteiten'.

Deelgebied De Park is niet om aan te zien. Het is geen landschap, maar aangetast agrarisch landschap. Stedelijke voorzieningen als evenemententerrein, skeelerbaan en hondenspeelplaats (bestemming: natuur!) horen in een landschapspark uiteraard niet thuis. Van een boomgaarden- en boslandschap is nog lang geen sprake. Daarvoor is  zelfs de basis nog niet gelegd. 

Deelgebied Waterrijk is wel een gebied met veel water, maar nog lang geen Over-Betuws waterlandschap. Ook daarvoor is nog niet de juiste basis gelegd. Intensieve recreatie zou beperkt blijven tot de noordzijde van de Rijkerswoerdse plassen. De door Park Lingezegen beoogde intensieve recreatie aan de oostzijde van de plassen, zelfs met bebouwing, is ongewenst en in strijd met de bedoeling van dit waterlandschap.  

Het agrarisch landschap ten oosten van de A325 is meer aangetast dan ontwikkeld. 

Aan kwalitatieve landschapsontwikkeling, zoals afgesproken, is dus nog bitter weinig gedaan. De vereiste deskundigheid voor het ontwikkelen van een Betuws loofboslandschap, een Betuws waterlandschap en een Betuws agrarisch landschap blijkt te ontbreken in het projectbureau van @parklingezegen. Dat bureau heeft meer oog voor de aanleg van wandel-, fiets- en ruiterpaden en andere, zelfs intensieve recreatievoorzieningen.